Sterke Erven Logo
7

‘Luxe dieren hebben de toekomst’

705 min
Wat wil de Duitse markt? Dat was de centrale vraag op de fokkerij-bijeenkomst van FarmFocus en Pig Business afgelopen dinsdag 15 oktober in Dalfsen. Ruim 140 varkenshouders en geïnteresseerden luisterden naar het verhaal van Jan Bielfeldt.
Jan Bielfeldt, manager bij German Genetics, over de sterke voorkeur van de Duitse slachterijen voor Piètrain: „In Duitsland is 85 procent Piètrain en 15 procent Duroc. We willen namelijk niet teveel vet en meer vlees. De Piètrain past beter bij wat onze markt vraagt, maar af en toe zijn Duroc varkens interessant. Bij een groot aanbod zorgt Duroc echter voor problemen bij het slachten.” Bevleesde of luxe varkens hebben dus in Duitsland nog steeds de toekomst. Wat de export van biggen betreft, zijn de Duitse mesters vooral geïnteresseerd in wat deze hen uiteindelijk onder de streep opleveren. Zaken als een goede voederconversie zijn voor de Duitse vleesvarkenshouders van minder belang, omdat zij veelal voldoende eigen voer hebben. Uniformiteit en vitaliteit van de biggen is daarentegen wel weer belangrijk.
Tijdens bijeenkomst in Dalfsen was er een bedrijvencarrousel. Aan de hand van verschillende stellingen werd er door een zestal fokkerijorganisaties en -bedrijven met de bezoekers gediscussieerd over de beste beren en zeugen. Jeroen van de Camp van Hypor mocht de stelling verdedigen: ‘Genetica maakt niet het verschil, vakmanschap wel’. De stelling vonden de varkenshouders ‘Waar’.Vakmanschap bepaalt namelijk de keuze welke beer of zeug je gaat gebruiken. Hoewel Van de Camp aanvankelijk als fokkerijspecialist logischerwijs vond dat de stelling ‘Niet Waar’ was, kwam hij na de korte discussie ook tot de conclusie dat vakmanschap het belangrijkste verschil maakt.
‘De mester bepaalt de keuze van de eindbeer’. Deze stelling mocht Tarik Falkenburg van PIC-NL verdedigen. De aanwezige varkenshouders vonden dat de mester eigenlijk de eindbeer moet bepalen, maar Falkenburg was het daar niet mee eens: „De slachterij en handel bepalen welke eindbeer gekozen wordt. Voor hen is het type slachtvarkens, dat zij hebben willen, belangrijk. Toch denk ik wel dat uiteindelijk de mester steeds vaker de eindbeer zal gaan bepalen, vanwege de voederconversie en uitval.”
Marcel Giesen en Gerard Reuling van TGZ-Nederland kregen een scherpe stelling voor hun kiezen: ‘Met Deense gelten heb je een hoger vervangingspercentage bij de zeugen’.„Natuurlijk zijn wij het niet eens met deze stelling. In Nederland zitten onze zeugen op het gemiddeld niveau van vervanging. De Deens omstandigheden zijn echter anders, want daar vermeerdert men met meer jonge gelten dan in Nederland, omdat ze meer gespeende biggen willen en dan zie je een ander vervangscijfer. Veel van de Deense verhalen gelden daarom niet voor de Nederlandse markt.” Ondanks het korte pleidooi twijfelden de varkenshouders of de stelling nu ‘Waar’ of ‘Niet Waar’ was.
‘De Topigs-50 zeug is de zeug met de beste financiële als ook technische prestatie, zowel voor de vermeerderaar als ook voor de vleesvarkenshouder’. Deze stelling mochten Harrie Brummelhuis en Bennie Gielink van Topfok Fokkerijgroep Oost waar maken. „De Topigs-50 zeug is een kruising van de N-lijn en de T-lijn. Het is universeel goed presterende zeug met een goed zelfgrootbrengend vermogen, hoog arbeidsgemak en lage uitval. Het vervangingspercentage ligt met 37 procent lager dan het landelijk gemiddelde van 44 procent. De gemiddelde bigproductie ligt op 63 biggen per zeugleven en zorgt op een bedrijf met 500 zeugen uiteindelijk voor een positief verschil van 6300 euro per jaar.” Helaas was de tijd te kort voor de varkenshouders om de twee specialisten van Topfok kritisch te bevragen. De stelling bleef daarom onbeslist.
Een van de meest interessant stelling mocht Kasper Bekker van Topigs verdedigen: ‘In de fokkerij van de zeugen moet er meer aandacht zijn voor vleesvarkenseigenschappen’. „Dat klopt, maar Topigs doet dit al. We zien bij Topigs 20 dat de jaarlijkse vooruitgang in genetica voor 64 procent ten goede komt aan de vleesvarkenseigenschappen en slechts 36 procent naar de zeug gaat.” Bekker onderstreept zijn pleidooi met een aantal cijfers. Opvallend was wel dat er weinig vooruit wordt geboekt in de duurzaamheid van de zeug. Elke voordeel heeft blijkbaar zijn nadeel, ook in de fokkerij.
‘Met luxe eindberen haal je een beter financieel rendement dan met veel vretende en snel groeiende rassen’. Een interessante stelling, die Kor Mast van Preferent KI onder een aantal mitsen en maren als ‘Waar’ betitelde. „De keuze van je eindbeer en of deze een beter financieel rendement oplevert, wordt bepaald door een aantal factoren. Over het algemeen kun je echter zeggen dat meer bevleesdheid en spierdikte een luxer varken oplevert. De markt wil deze varkens. We moeten dus verder met luxe rassen, maar die moet wel willen vreten en een goede voeropname hebben.” De varkenshouders konden de beargumentering van Mast alleen maar onderstrepen. De stelling werd als unaniem ‘Waar’ beschouwd.

Lees de studieclub met varkenshouders die deze avond aanwezig waren terug in het magazine Pig Business van donderdag 5 december.

Beeld: Gerard Burgers

Tags
VarkensFokkerij
Lees meer in het vakblad
In Vakblad Pig Business lees je wat speelt in jouw sector, met kennis, verhalen en duiding voor de praktijk.