Sterke Erven Logo
11

‘Geen beter saldo van Deense zeugen’

1104 min
Jo Nouwen was een van de eerste Nederlandse vermeerderaars die overstapten op Deense zeugen. Hij was ook een van de eersten die weer terugkeerden naar Topigs. De biggen uit de Deense zeugen werden wel beter betaald, maar dat voordeel woog voor hem niet op tegen de nadelen. „Het saldo werd er niet beter op, dus dan houdt het op, hè.”
Jo Nouwen in Heythuysen (rechts) is een typische self-made ondernemer. Jaren geleden begon hij als klauwbekapper. Uit het niets wist hij een groot legkippenimperium op te bouwen, wat in 2000 werd uitgebreid met een zeugenhouderij. Oorspronkelijke doel was om hier een opfokbedrijf voor leghennen van te maken, maar dat kreeg hij vergunningstechnisch niet rond. Dus werd de pluimveehouder ook zeugenhouder. Links op de foto een van zijn vaste medewerkers, William.
In het buitengebied van Heythuysen staat het vermeerderingsbedrijf. In 2010 werd het bedrijf uitgebreid, van 450 naar 1.450 zeugenplaatsen. Drie vaste medewerkers verzorgen de varkens. De zeugen worden gedekt met een Duitse Piétrain eindbeer.
Met de uitbreiding van de zeugenstapel in 2010 besloot Nouwen om op proef Deense gelten aan te kopen. „Toen de eerste Deense gelten gingen biggen, kwamen we er al snel achter dat ze niks beter waren dan de Topigs-zeugen”, vertelt Nouwen. „We zaten al op 15, 16 stuks levendgeboren biggen per worp, dat deden de Denen ook. Ook wat betreft het aantal gespeende biggen per zeug scoorden de Denen niet hoger dan de Topigs.”
In de uniformiteit en de levensvatbaarheid van de biggen zat volgens hem ook weinig verschil. Wat Nouwen als vermeerderaar wel opviel, waren de zeer goede moedereigenschappen van de Deense zeugen. Ze bigden ook vlot af, stelt hij. Tevens werden ze prima berig, niets beter of slechter dan de Topigs 20-zeugen.
Maar verder waren de nadelen volgens hem groter dan de voordelen. Zo zijn de DanAvl-zeugen een stuk stressgevoeliger, is zijn ervaring. „Zeker de oudereworpszeugen, tweede-en derdeworps, waren heel stressgevoelig rond het afbiggen.” Dat had ook zijn invloed op de hanteerbaarheid van de dieren. Met het uithalen en terugzetten waren ze een stuk agressiever dan hij bij de Topigs-zeugen gewend was. Nouwen: „Ik heb er zelfs wel eens een paar gemuilkorfd, omdat ze anders hun eigen biggen doodbeten.”
Het grootste nadeel is volgens Nouwen echter dat ze eerder versleten zijn. „Ze zijn gewoon een worp eerder op. Ik schat dat de vervanging zeker ongeveer 5 procent hoger ligt dan bij de Topigs”, zegt hij. „Van de duizend die we vanaf 2011 hebben aangevoerd, lopen er nu misschien nog 180.”
Het afgelopen jaar had Nouwen een vervangingspercentage van gemiddeld 40 procent, van de Deense- en Topigs-zeugen samen. Want na de eerste bestelling van 1.000 Deense gelten (voor de gereduceerde prijs) heeft hij geen nieuwe Deense gelten meer besteld. „Toen de eerste Denen hadden gebigd, zagen we gewoon dat ze voor ons geen toegevoegde waarde hadden. Het was de moeite van het proberen waard, maar het saldo werd er niet beter op. Onze technische resultaten waren al goed; de Denen brachten verder geen verbetering.”
Voor Nouwen is de rekensom simpel: de Deense gelten zijn tegenwoordig pakweg zes tientjes duurder dan de Topigs, stressgevoeliger en een worp eerder op. De paar euro extra die hij beurt voor de Deens gefokte biggen, kunnen die extra kosten niet compenseren. „Daarom zijn we er niet mee verder gegaan.”
De Limburgse vermeerderaar houdt het daarom bij Topigs 20-zeugen. Die worden geleverd door fokbedrijf Coen Beerens uit het naburige Nederweert. Over die samenwerking is Nouwen prima te spreken. „De gelten worden goed berig.” De technische resultaten van zijn 1.440 zeugen stemmen ook tot tevredenheid, met 15 levendgeboren biggen per zeug, 31 gespeende biggen en een worpindex van 2,42.
Maar of dat het komende jaar ook zo goed blijft, daar maakt hij zich wel een beetje zorgen over. Want met ingang van 1 januari dit jaar geldt de eis dat de zeugen al vanaf dag 4 na dekken terug moeten naar de groep. „In alle andere EU-landen hoeft dat pas na vier weken”, moppert hij. Nouwen vreest dat het straks moeilijker wordt om bij de dragende zeugen goed op conditie te sturen.
Wekelijks levert Nouwen 800 à 900 biggen af aan een vaste afnemer. Die worden zowel in binnen- als buitenland afgezet. Nouwen maakt met de afnemer afspraken voor de lange termijn, meestal een jaar vooruit, gebaseerd op de Nordwest-notering plus toeslagen. De afgelopen twee jaar waren volgens de vermeerderaar niet slecht, gemiddeld brachten de biggen boven verwachting op.

Lees het hele verhaal van Jo Nouwen in het magazine Pig Business van donderdag 6 februari.

Beeld: Ellen Meinen

Tags
VarkensFokkerij
Lees meer in het vakblad
In Vakblad Pig Business lees je wat speelt in jouw sector, met kennis, verhalen en duiding voor de praktijk.