Sterke Erven Logo
16

Pioniers in biologische mestbewerking

1605 min
De een zocht een betrouwbare en eenvoudige mestbewerkingstechniek en de ander was op zoek naar een veehouder waar hij zijn zelfbedachte installatie kon beproeven. Kalverhouder Bennie Ottink en technicus Jos van den Langeberg vonden elkaar zes jaar geleden. Ze bouwden een biologische installatie die voor 14 varkenshouders de mest bewerkt.
Kalverhouder Bennie Ottink (l.) en technicus Jos van den Langenberg (r.) van Kamplan testen de biologische mestverwerkingsinstallatie die op het erf staat van de kalverhouder uit Groenlo. Sinds twee jaar draait de installatie op volle toeren. Naast de mest van zijn eigen kalverbedrijf, verwerkt Ottink de mest van 14 varkenshouders en een aantal kalverhouders in de buurt.
De biologische mestbewerkingsinstallatie heeft een capaciteit van 35.000 kuub op jaarbasis. Wat vooral opvalt aan de installatie zijn de grote en vele silo’s die op het erf staan. Er staan zeven grote polyester silo’s en twee grote houten mestsilo’s. De kleine centraal gelegen technische ruimte is het hart van de installatie, maar valt in het niet bij de omringende silo’s.
De aangevoerde drijfmest wordt opgeslagen in de polyester silo’s. Per dag gaat het om ongeveer 100 kuub drijfmest die wordt aangevoerd. De aangesloten bedrijven betalen op basis van het fosfaatgehalte in de drijfmest. „Het drogestofpercentage meten is te duur en het fosfaatgehalte geeft een goede weerspiegeling van de mest”, legt Ottink uit.
De eerste stap in het proces is de decanter die de drijfmest in een dikke en dunne fractie scheidt door centrifugeren. Een transportband vervoert de dikke mest naar de container die als kortstondige opslagplaats dient. De dunne fractie gaat naar de grote mestbassins voor verdere behandeling.
De dikke fractie is stapelbaar met een drogestofpercentage van 25 procent. Deze fractie bewerkt Ottink verder niet meer. Deze fractie bestaat per ton uit ongeveer 20 kilo fosfaat, 10 kilo stikstof en 10 kilo kalium. De dunne fractie heeft een drogestofpercentage van 2,5 procent en gaat naar de eerste van de twee grote houten mestsilo’s.
Hoewel de twee mestsilo’s niet zijn overdekt, is er geen geurtje mest te bespeuren. De eerste grote mestsilo heeft een opslagcapaciteit van 1.100 kuub en is uitgerust met 300 beluchtingsschotels op de bodem. Een elektrische motor in de technische ruimte met een capaciteit van 74 kW draait de blower aan. De blower blaast met hogedruk de lucht door de schotels. Door de hogedruk warmt de lucht zich op tot 60 à 70 graden. De warme lucht zorgt ervoor dat de bacteriën de ammonium omzetten in nitriet (nitrificatie).
De eerste houten silo staat in direct contact met de tweede houten silo van 600 kuub. Per uur wordt er 48 kuub overgepompt tussen beide silo’s. In de tweede silo wordt de nitriet afgebroken tot stikstofgas (denitrificatie). Het stikstofgas verdwijnt in de lucht. Een menger in deze silo zorgt ervoor dat de mest een homogeen product blijft.
De behandeling van dunne fractie in de houten mestsilo’s is geheel biologisch en daardoor een nauwgezet proces. De bacteriën zijn gevoelig voor temperatuurschommelingen. Als de dunne fractie een temperatuur heeft tussen de 35 en 40 graden Celsius werken de bacteriën optimaal. In de zomer als door de zon de temperatuur van de mest te ver oploopt, wordt met een sproeier de mest gekoeld.
De twee houten mestsilo’s worden met 4,5 kuub dunne fractie per uur gevoed. Een soortgelijke hoeveelheid wordt er afgepompt. Hieraan wordt nog ijzerchloride en polymeer toegevoegd. Afhankelijk van het fosfaatgehalte wordt nog gekeken of er kalk aan de dunne fractie moet worden toegevoegd waardoor het fosfaat wordt gebonden.
Dezelfde decanter die ook de dikke en dunne fractie scheidt, heeft een tweede functie en zorgt ervoor dat het laatste slib uit de dunne fractie wordt gehaald. Het slib komt terecht bij de dikke fractie die bij het eerste scheidingsproces overbleef. Ook deze wordt met de transportband naar de container vervoerd.
De dikke fractie slaat Ottink in de nabijgelegen sleufsilo op. Per week voert de kalverhouder ongeveer 100 ton dikke fractie af. Hiervoor heeft hij een samenwerkingsverband met Salomons. De pluimveehouder en mesthandelaar uit Overijssel zorgt dat de bewerkte mest een ‘verwerkte status’ krijgt en daarmee onder de mestverwerkingsplicht valt.
Voor Ottink is de samenwerking met Salomons ideaal. „Hij neemt de risico’s en ik heb mijn gegarandeerde afzet. Bovendien kan Salomons de mest leveren die de klant wil. Ik kan met mijn 100 ton stapelbare fractie in de week weinig op de markt.” Bovendien is het hygiëniseren voor hem niet haalbaar. „Niemand kan rendabel hygiëniseren zonder vergister”, vertelt Ottink.
Naast het slib blijft er na het laatste scheidingsproces met de decanter troebel water over. Deze geelkleurige vloeistof heeft een koolstof/stikstof verhouding van 10 op 1. Dit water wordt in een polyester silo opgeslagen, zodat 24 uur per dag een constante hoeveelheid op het riool kan worden geloosd. Ottink loost 85 procent van de mest op het riool. Hij moet 1,60 euro per kuub betalen aan rioollasten en ongeveer 1 euro per kuub voor zuiveringslasten.
In de technische ruimte wordt continu een monster genomen van het water wat op het riool wordt geloosd. Het waterschap Rijn en IJssel, waar dit riool onder valt, controleert de watermonsters op nutriënten. De monsters zijn voor het waterschap een vereiste om de dunne fractie op het riool te mogen lozen.
De blower die voor de warmte en zuurstof zorgt, vraagt om de meeste energie. Om de blower zo efficiënt mogelijk in te zetten, wordt elke 20 minuten een monster van het eerste grote mestbassin genomen. Het monster meet de pH-verhouding en aan de hand van deze meetwaardes wordt de elektrische blower aangestuurd.
Aan het zo optimaal mogelijk laten draaien van de biologische mestverwerkingsinstallatie heeft de kalverhouder uit Groenlo een halve dagtaak. Ook moet hij dag en nacht paraat staan om eventuele storingen te verhelpen. „Het is een installatie die je niet moet stilzetten, maar die 24 uur per dag moet draaien.” Zijn mening is dat varkensbedrijven minimaal 25.000 tot 30.000 kuub op jaarbasis moeten verwerken, wil de installatie rendabel zijn.

Lees het hele verhaal in het magazine Pig Business van donderdag 4 september.

Tekst:

Beeld: Ellen Meinen

Tags
VarkensDierlijke mest
Lees meer in het vakblad
In Vakblad Pig Business lees je wat speelt in jouw sector, met kennis, verhalen en duiding voor de praktijk.