Sterke Erven Logo

Strook gras tussen maïs beschermt bodemleven effectief

03 min
Het is mogelijk om snijmaïs te telen in blijvend grasland zonder chemische bestrijdingsmiddelen, met slechts een bescheiden opbrengstverlies. Dat blijkt uit een veldonderzoek uitgevoerd door het Louis Bolk Instituut. Uit de studie blijkt dat mechanische onkruidbestrijding in combinatie met strokenbewerking goed is voor het aantal regenwormen in de bodem.

Hoewel de maïsopbrengst iets lager was bij mechanische behandelingen, bleken de verschillen statistisch niet significant. Het onderzoek toont aan dat de aanwezigheid van stroken permanent grasland tussen de maïsrijen het negatieve effect van oppervlakkige bodembewerking op het wormenbestand duidelijk vermindert.

Praktijkvriendelijke teelt

Het doel van het onderzoek was om een duurzaam teeltsysteem te ontwikkelen waarin de hoge opbrengst en voederwaarde van snijmaïs gecombineerd wordt met de ecosysteemdiensten van grasland, zoals biodiversiteit, bodemkwaliteit en koolstofopslag. Hiervoor werd in 2023 een veldproef opgezet op een melkveebedrijf in het Drentse Ruinerwold, op vruchtbare zandgrond. In het experiment werd maïs gezaaid in een blijvend grasland, waarbij vijf verschillende combinaties van gras- en onkruidbeheersing werden getest: chemisch of mechanisch en over het hele veld of in stroken.

De standaardbehandeling bestond uit chemisch doodspuiten van het gras met glyfosaat en chemische onkruidbestrijding. Alternatieven waren onder meer oppervlakkig mulchen van het hele veld of slechts tussen de rijen (stroken van 60 cm met 15 cm gras ertussen), in combinatie met mechanische onkruidbestrijding.

Beperkte opbrengstdaling

Bij de oogst bleek de maïsopbrengst bij de strokenvariant met mechanische onkruidbestrijding gemiddeld 12 procent lager dan bij de chemische standaard, maar door grote spreiding in de data was dit verschil statistisch niet significant. De stikstofopname en het zetmeelgehalte verschilden niet wezenlijk tussen de behandelingen. Wel lag het eiwitgehalte iets lager in de strokenvarianten, mogelijk door concurrentie met gras om stikstof.

De hoeveelheid mineraal stikstof in de bodem veranderde niet veel tussen de verschillende proefopzetten. De meeste stikstof zat in de bodem in juni, maar zelfs bij de oogst in september zat er nog best veel stikstof in de bodem (tussen de 79 en 109 kilo per hectare in de bovenste 90 cm). Dit betekent dat de bodem van zichzelf al stikstofrijk was, zelfs zonder dat er geploegd werd. Verschillen in stikstofopname en grasgroei onder de maisplanten kunnen verklaren waarom de maisopbrengst soms zo verschillend was tussen herhalingen.

Graszode intact

Opmerkelijk was het effect van de bodembewerking op het bodemleven. Het aantal regenwormen was duidelijk lager in de behandelingen met volledige oppervlakkige bodembewerking dan in de chemische variant. Echter, bij strokenbewerking bleef de graszode gedeeltelijk intact, wat leidde tot meer regenwormen dan bij volledige mulching. De wijze van onkruidbestrijding (chemisch of mechanisch) had hierbij geen merkbaar effect.

Andere bodemparameters zoals structuur, worteldichtheid, indringingsweerstand en waterinfiltratie werden niet beïnvloed door de verschillende behandelingen.

Beeld: Ruth van Schriek

Bron: Louis Bolk Instituut

Tags
MelkveeVoerBodemGrasMais