Is jouw maisoogst straks goed genoeg om van te melken?
Aanhoudende droogte maakt opbrengst én voederwaarde van de maisoogst 2026 onzeker

Opbrengst en voederwaarde zijn twee verschillende zaken
Een gewas dat minder massa geeft, hoeft niet automatisch een slechte maiskuil op te leveren. De voederwaarde wordt onder meer bepaald door het kolfaandeel, zetmeelgehalte, drogestofgehalte, de verteerbaarheid van de celwanden en het verloop van de conservering. Die waarden zijn pas goed te beoordelen nadat de kuil is bemonsterd.
Dat maakt het risicovol om alleen op basis van de geschatte tonnen per hectare conclusies te trekken. Een bedrijf kan voldoende volume oogsten, maar alsnog moeten bijsturen omdat de samenstelling anders uitpakt dan verwacht. Een ander bedrijf heeft mogelijk minder tonnen, terwijl de beschikbare mais qua voederwaarde juist goed aansluit op het rantsoen.
De eerste vraag is daarom: hoeveel kuilmais komt er beschikbaar? De tweede vraag is minstens zo belangrijk: welke voederwaarde brengt die kuil mee?
Bereken de voerpositie in droge stof
Breng eerst de oude voorraad in kaart en schat vervolgens de nieuwe oogst. Reken daarbij bij voorkeur in kilogrammen droge stof. Alleen tonnen product vergelijken kan een vertekend beeld geven wanneer het drogestofgehalte tussen kuilen verschilt.
Zet daar de behoefte van alle diergroepen tegenover. Hoeveel kilogram droge stof uit kuilmais gaat er dagelijks naar de melkkoeien? Krijgen droge koeien en jongvee ook mais? En hoeveel dagen moet de voorraad meegaan? Neem daarnaast een buffer op, zodat een iets hoger verbruik, meer dieren of een latere oogst in het volgende seizoen niet direct voor problemen zorgt.
Omdat de opbrengst nog onzeker is, helpt het om drie scenario’s te gebruiken: gunstig, realistisch en ongunstig. Daarmee wordt zichtbaar bij welke opbrengst het bedrijf in de gevarenzone komt.
Analyse bepaalt waar bijsturing nodig is
Na de oogst geeft de analyse richting. Een tegenvallend zetmeelgehalte vraagt om een andere aanpak dan alleen een tekort aan droge stof. Ook de verteerbaarheid, VEM en het aandeel structuur bepalen hoe de mais naast de graskuil en overige voedermiddelen past.
Kijk daarom niet los naar één kengetal. Een maiskuil moet binnen het complete rantsoen worden beoordeeld. De meest energierijke partij is niet automatisch voor ieder bedrijf de beste keuze. Het gaat om de combinatie met de eigen ruwvoeders, de gewenste melkproductie, de voeropname en de kosten van eventuele aanvullingen.
Kuilmais uit 2025 of nieuwe snijmais uit 2026?
Kuilmais van oogst 2025 is al geconserveerd en geanalyseerd. Daardoor weet je vooraf hoe een partij in het rantsoen past en is er relatief goede kwaliteit beschikbaar. De keerzijde is dat tijdens bewaring en vooral bij verplaatsen en overkuilen verliezen kunnen ontstaan; snel werken, goed verdichten en luchtdicht afdekken zijn daarom belangrijk. Nieuwe snijmais uit 2026 hoeft niet als bestaande kuil te worden overgekuild, maar moet na de oogst nog wel conserveren. Opbrengst, droge stof, zetmeel en verteerbaarheid zijn pas na de analyse definitief bekend. Zeker in een droog jaar als dit zijn kolfzetting en afrijping belangrijke aandachtspunten. Daardoor is het onzeker of de mais van voldoende kwaliteit gaat zijn om er goed van te kunnen melken. De afweging is daarmee helder: bekende kwaliteit en meer grip tegenover het potentieel en de onzekerheid van de nieuwe oogst.
Keuze uit verschillende maiskuilen
Wanneer extra kuilmais nodig is, biedt verschil tussen partijen juist mogelijkheden. Berg heeft van alle aangeboden maiskuilen analyses beschikbaar. Omdat iedere kuil anders is, kunnen de waarden niet onder één algemene productspecificatie worden samengevat. De beschikbare analyses maken het wel mogelijk om gericht te vergelijken.
Zo kan een melkveehouder samen met zijn voeradviseur beoordelen welke kuilmais het best naast de eigen graskuil en maiskuil past. Bij de ene partij ligt de nadruk bijvoorbeeld meer op zetmeel en energie, terwijl een andere partij door haar totale samenstelling beter in een specifiek rantsoen rekent. Op die manier wordt een voorraadtekort niet alleen in volume aangevuld, maar kan ook de balans van het rantsoen worden ondersteund.
Voorkom een abrupte rantsoenwisseling
Tijdig plannen helpt bovendien om grote voerwisselingen te voorkomen. Wanneer de oude kuil onverwacht opraakt, moet soms snel worden overgeschakeld op de nieuwe oogst of een aangekochte partij. Dat geeft minder ruimte om rantsoenen geleidelijk aan te passen en de reactie van de koeien te volgen.
Wie vooraf weet dat een tekort waarschijnlijk is, kan de aanvulling eerder organiseren. De beschikbare partijen kunnen dan inhoudelijk worden vergeleken, de logistiek kan worden gepland en de overgang in het rantsoen kan samen met de voeradviseur worden voorbereid.
Nu rekenen geeft straks meer grip
De gevolgen van de droogte worden pas na de oogst volledig zichtbaar. Toch hoeft een melkveehouder daar niet op te wachten. Door nu de voorraad, verwachte opbrengst en voerbehoefte naast elkaar te zetten, wordt duidelijk hoeveel speelruimte er is.
Verwacht je een tekort of wil je weten welke kuilmais het beste bij je huidige rantsoen past? Berg heeft nog hoogwaardige kuilmais beschikbaar. Van iedere maiskuil is een analyse aanwezig, zodat je samen met je voeradviseur gericht kunt kiezen welke partij het beste rekent.
Interesse? Neem dan contact op via:
Tel: 0341-768222
WhatsApp: 06 89975261
Email: verkoop@bergagri.com

Over BERG
Bij Berg weten we wat er nodig is op het erf, in de stal en op het land. Met boerenverstand en jarenlange praktijkervaring leveren we stalstrooisels, (biologisch) ruwvoer, bijproducten en bodemverbeteraars waar veehouders dagelijks op kunnen bouwen. Vanuit onze eigen productielocatie in Kampen ontwikkelen we stalstrooisels op maat voor een beter stalklimaat, gezonde dieren en topprestaties. Met Berg boer je beter.





