Doorlopende stalhuur maakt verhuurder medeplichtig aan overtreding stoppersregeling

De Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant trof op 27 januari 2020 ruim 2.400 gespeende biggen aan in de stallen. Omdat de varkenshouder goed op de hoogte was dat de stallen niet meer gebruikt mochten worden, werd hij veroordeeld voor een economisch delict. De verhuurder werd door de rechtbank en later het gerechtshof medeplichtig geacht, waarop de verhuurder naar Hoge Raad stapte.
De Advocaat-Generaal adviseert in zijn conclusie aan de Hoge Raad om dat cassatieberoep te verwerpen. Bij het aangaan van de verhuurovereenkomst in 2018 was al duidelijk dat de stallen vanaf 2020 leeg moesten zijn. Toch liep het huurcontract door tot en met mei 2020. In het contract waren bepalingen opgenomen dat de huurder volledige verantwoordelijkheid zou dragen voor eventuele overtredingen en boetes. Maar aansprakelijkheid is niet zomaar contractueel elders neer te leggen.
De verhuurder was bovendien op de hoogte dat de stallen nog in gebruik waren na 1 januari. Hij greep echter niet in. Dat kon ook niet, vond de verhuurder. „Ik ben geen dierenbeul. Ik zal die biggen niet uit de stal jagen zodat mijn stal wel tijdig leeg komt te staan. Ik ben geen varkenshouder, ik verhuur vastgoed." De rechtbank en het hof in Den Bosch hechtten daar geen waarde aan. De verhuurder kreeg 6.000 euro boete, waarvan 3.000 voorwaardelijk. Bovendien was de huur tussen januari en april 2020 onterecht verkregen. Die 9.000 euro is hij nu verschuldigd aan de staat.
De AG ziet geen reden om de zaak terug te sturen naar het gerechtshof. De verdediging heeft volgens hem geen steekhoudende juridische argumenten aangevoerd, en de uitspraak van het hof is helder genoeg. De verwachting is dat de Hoge Raad het vonnis bekrachtigt.
Tekst: Bart van de Laak
Bron: Rechtspraak


