Voergeldregeling ontspoort: duizend ton mest onherleidbaar in mestadministratie

De zaak speelt tussen twee vleesvarkenshouders die vanaf 2008 samenwerkten op basis van een voergeldovereenkomst. In de constructie had de voergeldgever de contractuele verplichting om alle geproduceerde mest af te voeren. Na beëindiging van de samenwerking eind 2014 zou echter nog ongeveer 1.068 ton mest in de mestputten van de uitvoerder zijn achtergebleven. De voergeldnemer vordert daarom ruim 33.000 euro aan mestafvoerkosten.
Deskundige moet mestboekhouding reconstrueren
De voergeldgever betwist dat hij zijn verplichtingen niet is nagekomen. Volgens het hof bieden de vervoersbewijzen en andere stukken onvoldoende houvast om vast te stellen of daadwerkelijk alle mest is afgevoerd. Daarom wil het hof een specialist in mestboekhoudingen als deskundige benoemen. Die moet reconstrueren of over de gehele contractperiode mest is achtergebleven, om welke hoeveelheid het gaat en welke afvoerkosten daar destijds mee gemoeid zouden zijn. De voergeldnemer moet het voorschot voor dit onderzoek betalen.
Een deel van de schadeclaim veegt het hof alvast van tafel. De voergeldnemer stelde dat hij zijn mestopslag jarenlang niet aan derden kon verhuren doordat de putten nog vol zaten. Volgens het hof is die schade onvoldoende onderbouwd en is bovendien niet aannemelijk gemaakt dat die rechtstreeks voortvloeit uit een eventuele tekortkoming van de voergeldgever.
Tekst: Bart van de Laak
Beeld: Ruben Meijerink
Bron: Rechtspraak


