Opkoopregelingen zorgen voor meer grondmobiliteit rond Natura 2000

Voor het onderzoek combineerden de onderzoekers gegevens over landbouwgrondtransacties met informatie over stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Zij vergeleken de ontwikkeling van de grondmobiliteit – het aantal landbouwpercelen dat van eigenaar wisselde – binnen een straal van tien kilometer van deze gebieden met regio’s die verder weg liggen. De stijging blijkt zich vrijwel uitsluitend voor te doen bij grasland, het belangrijkste grondgebruik van veehouderijbedrijven. Voor akkerland, snijmais en tuinland vonden de onderzoekers geen vergelijkbare veranderingen.
Grootste toename grondmobiliteit binnen vijf kilometer
Volgens het onderzoek is er een verband tussen de toegenomen mobiliteit en de uitvoering van de beëindigingsregelingen. Sinds de openstelling van de Lbv-, Lbv-plus- en Lbv-KS-regelingen hebben ruim 1.100 veehouderijen zich aangemeld voor beëindiging van veehouderijen. Door het stoppen van deze bedrijven komt een deel van de landbouwgrond beschikbaar voor verkoop of verpachting. Hoewel individuele grondtransacties niet direct zijn te koppelen aan deelnemers aan de regelingen, sluit het aantal transacties binnen een straal van tien kilometer bij een Natura 2000-gebied volgens de onderzoekers aan bij de verwachte effecten van de opkoopregelingen.
De grootste toename van de grondmobiliteit is zichtbaar binnen vijf kilometer van Natura 2000-gebieden. Tussen vijf en tien kilometer afstand is eveneens een stijging te zien, terwijl buiten vijftien kilometer nauwelijks veranderingen optreden.
Grotere grondmobiliteit leidt niet tot prijsveranderingen
Een grotere grondmobiliteit leidt volgens de onderzoekers nog niet tot hogere of juist lagere grondprijzen. De prijzen van grasland en andere landbouwgrond ontwikkelden zich binnen en buiten Natura 2000-gebieden in 2024 identiek. De onderzoekers stellen dat de Nederlandse grondmarkt wordt gekenmerkt door een structureel beperkt aanbod en een blijvend hoge vraag, waardoor prijsontwikkelingen door meerdere factoren worden bepaald.
Ook de uiteindelijke bestemming van de vrijkomende landbouwgrond is volgens de onderzoekers nog onvoldoende duidelijk. Vervolgonderzoek moet uitwijzen wie de nieuwe eigenaren zijn en hoe de vrijgekomen landbouwgrond uiteindelijk wordt gebruikt.
Stefan Buning
Geboren en getogen op een melkveebedrijf in de Achterhoek. Sinds 1998 werkzaam als redacteur bij Agrio. Als chef Melkvee is hij samen met zijn team verantwoordelijk voor het kritisch volgen van alles wat er in en om de melkveehouderij in Nederland gebeurt.
Beeld: Ruth van Schriek
Bronnen: Wageningen Social & Economic Research, Kadaster

