Het beste van Joost van Kasteren - artikel 4
Groot boerderijboek voor volwassenen: (onnodige) angst voor ‘landbouwgif’

Nog niet zo lang geleden stond mijn vrouw bij de groenteboer, sorry groentespecialist, op haar beurt te wachten. Hij bood haar en de andere klanten die stonden te wachten een handje kersen aan, net binnen en prachtig, bijna zwart van kleur. De groenteboer was er duidelijk trots op, maar niet iedereen kon ze waarderen. Een jonge vrouw van een jaar of dertig vroeg op luide toon aan mijn vrouw of ze wel wist hoeveel gif die kersen bevatten. Om eraan toe te voegen dat ze die zelf nooit zou eten. Mijn vrouw had nog de tegenwoordigheid van geest om tegen haar te zeggen dat groenten en fruit nog nooit in de geschiedenis zo veilig zijn geweest, maar dat had geen effect. De vrouw beende boos de winkel uit, de groenteboer helemaal overdonderd achterlatend.
Het is natuurlijk maar een enkel voorbeeld. Maar het tekent wel de gevolgen van de wijze waarop er in Nederland wordt gepraat over gewasbescherming. Van saloncolumnisten tot politici en zelfs sommige wetenschappers: ze hebben het allemaal over ‘landbouwgif’. Inclusief de suggestie dat blootstelling aan zelfs maar een enkele nanogram van het spul de dood tot gevolg kan hebben. Niet meteen, maar op termijn van enkele tientallen jaren zou je kunnen overlijden aan kanker, Parkinson of andere vervelende ziekten.
Zomerserie van Joost van Kasteren
Wetenschapsjournalist Joost van Kasteren werkte twaalf jaar lang samen met de redactie van Agrio. Vanwege zijn plotselinge overlijden op 10 juni 2026 publiceert de redactie een serie must-reads van zijn hand. Joost gebruikte wetenschappelijk onderzoek als basis voor zijn journalistiek en hekelde de waan-van-de-dag-mentaliteit die steeds verder oprukt in zowel de media als politiek. Met deze serie eren we Joost en bieden we lezers deze zomer mooie en interessante longreads om de geest te scherpen. Precies zoals Joost dat beoogde.
Tegelijkertijd wordt gesuggereerd dat de landbouw wel zonder bestrijdingsmiddelen zou kunnen – ‘kijk maar naar de biologische landbouw, daar kan het ook’. Onzin natuurlijk. Ook in de biologische landbouw worden bestrijdingsmiddelen gebruikt, alleen zijn die volgens voorschrift van natuurlijke oorsprong. Waarmee niet gezegd is dat ze minder giftig zijn of minder schadelijk voor natuur en milieu. Wat je wel kunt zeggen, is dat ze in veel gevallen minder effectief zijn en dat de kans op oogstverliezen daardoor een stuk groter is.
De dosis maakt het gif: Paracelsus en Bruce Ames
Mensen zijn niet de enigen die bestrijdingsmiddelen gebruiken. Ook planten zelf beschikken over een heel scala aan giftige stoffen om zich te verdedigen tegen aantasting door bacteriën, schimmels, insecten, vogels en zoogdieren, waaronder de mens. Stoffen die vaak een stuk ‘giftiger’ zijn dan de bestrijdingsmiddelen die de boer inzet. De term ‘giftig’ zet ik bewust tussen aanhalingstekens. Want wat er in de horrorverhalen over bestrijdingsmiddelen zelden bij wordt vermeld ,is dat niet de stof de giftigheid bepaalt, maar de dosis waaraan je wordt blootgesteld.
“Alle Dinge sind Gift; allein die Dose macht dass ein Ding kein Gift ist” (‘Alle zaken zijn giftig, alleen de dosis maakt dat iets geen gif is’) schreef Philip Theophrastus Bombast von Hohenheim – beter bekend als Paracelsus – al in 1538. Toch verschijnen er bijna 500 jaar later nog steeds rapporten van clubs als Greenpeace en Pesticide Action Network, waarin slechts vermeld wordt dat er giftige stoffen in bijvoorbeeld urine zijn aangetroffen. Zonder te vertellen dat het daarbij gaat om minieme doses van delen per miljoen of miljard. Ook zijn er nog steeds wetenschappers die knaagdieren blootstellen aan hoge doses bestrijdingsmiddelen en daar vervolgens conclusies aan verbinden voor blootstelling van mensen aan extreem lage doses.
Giftige groenten: de chemische wapens van planten
Om een en ander in perspectief te plaatsen is het goed om eens te kijken naar het arsenaal aan chemische wapens dat planten benutten om vraatzuchtige dieren – inclusief mensen – van zich af te houden. Of zoals eetschrijver Jeffrey Steingarten al in 1988 schreef in ‘Salad, the Silent Killer‘:
Mijn speurtocht betrof niet de synthetische, door mensen gemaakte pesticiden, die de krantenkoppen vullen. Mij ging het om de echte gevaren – de natuurlijke gifstoffen die planten produceren om in leven te blijven en zich voort te planten, zoals een cobra zijn gif gebruikt. Nu ik mijn onderzoek heb afgesloten, kan ik vol vertrouwen voorspellen dat tegen het eind van deze eeuw de gezondheidsautoriteiten zullen eisen dat de volgende waarschuwing op elke stronkje broccoli en elk blaadje spinazie wordt geplakt: Overmatige consumptie van salade-ingrediënten kan leiden tot vitaminetekort, een slechte huid, lathyrisme (een neurologische aandoening), bloedarmoede en eerlijk gezegd de dood.
De voorspelling van Steingarten is niet uitgekomen en ook nu ziet het er niet naar uit dat de autoriteiten groenten gaan voorzien van een waarschuwing. Dat neemt niet weg dat de groenen en andere planten die we dagelijks eten beschikken over een heel arsenaal aan chemische wapens. Dat loopt uiteen van chemicaliën die de opname van vitamines en mineralen blokkeren, zoals ftaalzuur en oxaalzuur, tot kankerverwekkende stoffen, zoals hydrazines in champignons en basilicum en dodelijke (mits in voldoende hoeveelheden) gifstoffen als theobromine in chocolade, cafeïne in koffie en capsaicine in rode pepers.
Andere planten, zoals cassave, maar ook tuinbonen en jonge bamboescheuten bevatten hoge concentraties van het gif cyanide. Aardappelen bevatten het gif solanine, terwijl kidneybonen die onvoldoende zijn gekookt de stof hemagglutinine bevatten, een eiwit dat ervoor zorgt dat rode bloedcellen klonteren. En dan zijn er nog de hormoonverstorende stoffen, zogeheten fyto-oestrogenen die zowel de vrouwelijke als de mannelijke vruchtbaarheid beïnvloeden. Te vinden in peulvruchten, zoals linzen, kikkererwten en soja, maar ook in – let op bierdrinkers – hop en gerst.
De lijst is eindeloos, schrijft Steingarten. Maar de overheid negeert die natuurlijke gifstoffen en maakt zich alleen maar druk over kleur-, geur- en smaakstoffen, residuen van bestrijdingsmiddelen en andere chemicaliën in ons voedsel. Terwijl de concentraties van die natuurlijke gifstoffen vele malen groter zijn dan die van de resten bestrijdingsmiddel die we binnenkrijgen via ons voedsel.
Bruce Ames en de kankertest: natuurlijk is niet per definitie veilig
Die natuurlijke gifstoffen zijn ook niet onschuldig – afhankelijk natuurlijk van de dosis. Bruce Ames, een Amerikaans biochemicus, ontwikkelde in de jaren zeventig een goedkope test om na te gaan of stoffen mutaties veroorzaakten in het DNA en daarmee potentieel kankerverwekkend konden zijn. In plaats van proefdieren gebruikte hij bacteriën van de soort Salmonella typhimurium waardoor het een stuk goedkoper en sneller werd om vast te stellen of stoffen mogelijk kankerverwekkend zouden zijn.
De test werd veelvuldig toegepast, maar Ames zelf had er zo zijn twijfels over. Om te beginnen liet de test alleen maar zien dat een stof mogelijk kankerverwekkend was, maar niet bij welke blootstelling. Daarnaast constateerde hij dat in de natuur voorkomende stoffen minstens even mutageen zijn als synthetische chemicaliën. Sterker nog, hij was bang dat de overdreven aandacht voor de betrekkelijk geringe effecten van blootstelling aan minieme kankerverwekkende stoffen af zou leiden van zaken die echt van belang zijn zoals een gezond dieet met voldoende vitamines en mineralen. Ames: “If you have thousands of potential risks that you are supposed to pay attention to, that completely drives out the major risks you should be aware of.”
In 1990 publiceerde Ames met een aantal collega’s een drietal artikelen in het wetenschappelijke tijdschrift Proceedings of the National Academies of Science (PNAS). In het eerste artikel stelde hij vast dat de blootstelling van ratten en muizen aan een hoge dosis van een kankerverwekkende stof niets zegt over de mogelijke carcinogeniteit van die stof bij mensen die aan een veel lagere dosis worden blootgesteld. Niet alleen omdat de dosis de giftigheid bepaalt (Paracelsus), maar ook omdat mensen geen knaagdieren zijn.
In het tweede, meest bekende artikel rekenen hij en zijn collega’s voor dat 99,9 procent van de bestrijdingsmiddelen in het Amerikaanse menu bestaat uit chemicaliën die door planten zelf worden geproduceerd. In totaal zou het gaan om ongeveer anderhalve gram per persoon per dag, ofwel zo’n 10.000 keer meer dan de gemiddelde Amerikaan binnenkrijgt aan restanten van synthetische bestrijdingsmiddelen. Tijdens het schrijven van het artikel waren slechts 52 van die natuurlijke pesticiden getest op knaagdieren. Daaruit bleek dat bij hoge doses ongeveer de helft kankerverwekkend is.
In het derde artikel maken Ames en consorten korte metten met de suggestie dat we evolutionair gezien beter bewapend zijn tegen natuurlijke dan tegen synthetische chemicaliën. Gezien het scala aan verschillende chemische wapens dat planten inzetten tegen hun belagers, is het voor planteneters en alleseters ondoenlijk om een specifieke verdediging te ontwikkelen en te onderhouden tegen elk van die chemische wapens afzonderlijk.
Ons ingebouwde afweersysteem tegen giftige stoffen
We beschikken dus over een aantal algemene verdedigingsmechanismen die niet alleen werken tegen natuurlijke, maar hoogstwaarschijnlijk ook tegen synthetische chemicaliën. Zo worden cellen die blootstaan aan potentieel giftige stoffen zoals van huid, longen en maagdarmkanaal elke paar dagen afgevoerd en ververst. Verder beschikken we in de lever over een enzymsysteem (cytochroom P450) dat potentieel schadelijke stoffen afbreekt ofwel zodanig modificeert dat ze via de urine worden afgevoerd.
Even terzijde: Met het nodige aplomb melden milieuorganisaties regelmatig dat er schadelijke stoffen in de urine van mensen zijn aangetroffen. Dat zegt dus weinig over het effect van die stoffen op de gezondheid en alles over ons vermogen om die stoffen onschadelijk te maken. Wel is er een aantal in de natuur voorkomende chemicaliën die de werking van dat verdedigingsmechanisme kunnen ondergraven. Grapefruit bijvoorbeeld bevat furanocoumarine, dat de afbraak van bepaalde medicijnen belemmert, waardoor je lichaam aan een hogere dosis wordt blootgesteld dan gezond is.
Een andere reden waarom wij mensen niet beter bestand zijn tegen natuurlijke chemicaliën dan tegen synthetische, is dat we evolutionair gezien helemaal geen tijd hebben gehad om ons specifiek daartegen te verdedigen. Planten hebben hun chemische wapens gedurende meer dan 500 miljoen jaar kunnen verfijnen. De moderne mens loopt zo’n 200.000 jaar over de aarde. We zouden dus best wat meer vertrouwen mogen hebben in onze aangeboren detoxcapaciteiten.
Nog los van het feit dat blootstelling aan een minieme dosis juist positief kan uitpakken voor onze gezondheid: Hormese – afgeleid van hormesis, Grieks voor prikkeling – houdt in dat blootstelling aan kleine hoeveelheden ‘stressoren’, inclusief toxische stoffen, radioactieve straling en stress, een reactie teweegbrengt in cellen die ze juist weerbaarder maakt. ‘If it doesn’t kill you, it makes you stronger.’
Planten als wapen: van Monarch-vlinder tot vergiftigde honing
Dat laatste geldt overigens ook in overdrachtelijke zin. Dieren, waaronder de mens, gebruiken de chemische wapens van planten in hun eigen voordeel. Wij mensen beginnen de dag vaak met cafeïne, prikkelen onze tong met capsaicine (peper), relaxen met cannabis, socialiseren met alcohol, en peppen ons eten en drinken op met myristicine (nootmuskaat), schrijft Noah Whiteman in zijn boek ‘Most delicious poison, the story of nature’s toxins – from spices to vices‘.
Ook in ’the war of nature‘ (Charles Darwin) is alles geoorloofd. Larven van de Monarch-vlinder laven zich aan kroontjeskruid (milkweed), een plant die voor andere insecten, maar ook voor zoogdieren giftig is. Ze slaan het gif (cardenolide) op in hun lichaam, waardoor ze, ook in hun volwassen leven als vlinder, giftig zijn voor wespen, vogels en andere predatoren die hen belagen.
Ook mensen hebben gifstoffen uit planten als chemisch wapen gebruikt. In 67 voor Christus zette Mithridates, koning van Pontus, voor het eerst op grote schaal een plantaardig chemisch wapen in. Zijn opponent was de Romeinse generaal Pompeius de Grote, wiens soldaten werden vergiftigd door zogeheten ‘mad honey’, afkomstig van de bloemen van sommige soorten rododendrons en azalea’s. De nectar bevat grayanotoxines, stoffen die inwerken op het zenuwstelsel. De Romeinse soldaten werden verleid met grote potten honingdrank en nadat ze ervan hadden gedronken, gingen ze hallucineren en werden ze vervolgens in de pan gehakt.
Van chrysanten tot neonics: de geschiedenis van bestrijdingsmiddelen
Plantaardige chemicaliën werden niet alleen gebruikt om elkaar naar de andere wereld te helpen, maar ook voor het uitschakelen van concurrenten om voedsel. Al zo’n 3000 jaar geleden gebruikten boeren in China poeder van gedroogde chrysanten om hun oogst te beschermen tegen insecten. Chrysanten produceren pyrethrines als wapen om zich te verdedigen tegen insectenvraat. Later verspreidde het gebruik ervan naar Perzië, van waaruit het dik tweehonderd jaar geleden Europa bereikte.
Vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw worden er goedkopere synthetische pyrethroiden ontwikkeld. Ze worden veelvuldig gebruikt, niet alleen in het veld, maar ook in klamboes of om vliegtuigen insectenvrij te maken. Inmiddels worden er kanttekeningen gemaakt bij het gebruik ervan: ze zouden schadelijk zijn voor in het water levende organismen en voor bijen, terwijl schadelijke insecten steeds vaker resistent blijken te zijn.
Naast chrysanten zijn er meer planten die insecticiden leveren. Eén van de oudst bekende is nicotine, een alkaloïde uit tabak, dat het zenuwstelsel aantast. Ook hiervan zijn synthetische varianten ontwikkeld, de neonicotinoïden (neonics), die medio jaren negentig van de vorige eeuw op de markt kwamen. Een ander veelgebruikt bestrijdingsmiddel is een aftreksel van de neemboom, terwijl rotenon – geëxtraheerd uit wortels van planten uit de bonenfamilie – eeuwenlang werd gebruikt als insecticide. Rotenon werd halverwege de 19e eeuw geïntroduceerd, maar is inmiddels in Europa uitgefaseerd omdat het het zenuwstelsel aantast.
Oude methoden: van Soemerische zwavel tot Romeinse goden
Naast plantaardige chemicaliën zetten onze verre voorouders ook andere middelen in om hun gewassen te vrijwaren van ziekten en plagen. De Chinezen gebruikten roofmieren om hun citrusbomen te vrijwaren van rupsen. De oude Romeinen hadden zelfs een speciale god om hun graan te beschermen tegen roest – een schimmelziekte. Elk jaar op 25 april werd het festival Robigalia gehouden, waarbij een hond werd geofferd.
Eén van de oudste beschrijvingen van pesticiden dateert van 4500 jaar geleden en gaat over het gebruik van zwavel door de Soemeriers. De Romeinen gebruikten zwavel tegen insecten, en in het oude China werden 3500 jaar geleden kwik en arseenverbindingen gebruikt om de graanopslag vrij te houden van muizen en ratten. In de loop der eeuwen zijn nog veel meer stoffen ingezet als bestrijdingsmiddel, van aluin tot arseen.
Bestrijding van onkruid gebeurde vanouds met de hand. Zo’n 2300 jaar geleden beschreef Theophrastus van Eresus hoe je onkruid kon bestrijden met een extract van olijven. Zout was en is ook een veelgebruikt huismiddeltje tegen onkruid, al dan niet in combinatie met azijn. Gebruik ervan wordt tegenwoordig afgeraden, omdat bomen en planten wortelschade kunnen oplopen.
De opkomst van de moderne landbouwchemie
Vanaf de zestiende eeuw worden ziekten en plagen in het gewas niet langer louter beschouwd als de straf van god, maar als een fenomeen dat je kon bestuderen, begrijpen en eventueel bestrijden. Vanaf het einde van de 18e eeuw vindt er een echte revolutie plaats in de gewasbescherming. Dat werd gevolgd door kopersulfaat als remedie tegen schimmelziekten in tarwe en Parijs Groen, een verbinding van koper, azijn en arseenzuur.
Koperverbindingen bleven populair. Vanaf 1860 hadden Franse wijnboeren veel last van schimmels. De Franse botanicus Pierre Marie Millardet ontdekte dat druiven langs de weg minder waren aangetast doordat wijnboeren die ranken besproeiden met een oplossing van kopersulfaat en kalk. Na enkele jaren experimenteren publiceerde Millardet zijn bevindingen in 1878: de Bordeauxse pap, nog steeds gebruikt tegen meeldauw en andere schimmelziekten.
De aardappelziekte en haar politieke gevolgen
In 1844 kwamen er monsters van nieuwe aardappelrassen aan in de haven van Antwerpen, besmet met phytophthora. In datzelfde jaar deed zich een kleine epidemie voor in België, maar de grote klap kwam een jaar later in Engeland en Ierland, en nog een jaar later in de rest van Europa. Als het gewas niet wegkwijnde op de akker, dan verrotten de knollen in de opslag.
Armoede en honger leidden tot de revolutie van 1848 in Frankrijk en tot onrust en rellen in Amsterdam en andere steden. Op zijn beurt was die onrust aanleiding voor Thorbecke, gesteund door een angstige koning Willem II, om een nieuwe grondwet met meer macht voor de burger door te voeren. Je zou dus kunnen stellen dat Nederland zijn progressieve grondwet heeft te danken aan twee schimmelziekten: phytophthora in aardappel en gele roest in rogge.
Nog een keer zou de aardappelziekte invloed hebben op de loop van de geschiedenis. In 1916, midden in de Eerste Wereldoorlog, werd het Duitse Rijk getroffen door een ernstige uitbraak. Er was te weinig koper beschikbaar voor het maken van kopersulfaat – wat er was, was nodig voor het maken van kogels. In de winter van 1916/1917 ging de helft van de aardappelopbrengst verloren. Ruim 700.000 mensen verhongerden in die winter, met opstanden en een tanend doorzettingsvermogen aan het front als gevolg.
Fritz Haber: van kunstmest tot Zyklon B
De Duitse hongersnood en de daaropvolgende nederlaag waren in 1919 aanleiding voor de oprichting van het Deutsche Gesellschaft für Schädlingsbekämpfung. Eén van de initiatiefnemers was de Duitse chemicus en Nobelprijswinnaar Fritz Haber, die in 1908 erin was geslaagd ammoniak te maken uit stikstofgas en waterstof: grondstof voor kunstmest.
Diezelfde Fritz Haber geldt als de vader van de chemische oorlogvoering. Op zijn aanraden werd voor het eerst chloorgas ingezet tijdens de tweede slag om Ieper in 1915, waarbij bijna 70.000 soldaten het leven lieten. Zijn vrouw Clara Immerwahr – ook scheikundige – zou zichzelf van het leven hebben beroofd met zijn dienstwapen, omdat ze niet kon verkroppen dat haar man een dergelijk massavernietigingswapen had ontwikkeld.
In het Deutsche Gesellschaft für Schädlingsbekämpfung, kortweg Degesch, was Haber betrokken bij de ontwikkeling van blauwzuurgas als middel tegen insecten. Het bestrijdingsmiddel kreeg de naam Zyklon B. Waar het eerst werd gebruikt als insecticide, gebruikten de Duitse nazi’s het als middel om meer dan een miljoen mensen – in meerderheid Joden – te vermoorden in de gaskamers van Auschwitz en andere concentratiekampen.
De doorbraak van synthetische bestrijdingsmiddelen
Met de opkomst van de chemische industrie eind 19e eeuw komt er een nieuwe klasse bestrijdingsmiddelen. Steenkool en aardolie bleken niet alleen een bron van energie, maar ook een grondstof voor de zich ontwikkelende chemische en farmaceutische industrie. In 1913 werden organische kwikverbindingen voor het eerst gebruikt als middel tegen schimmels.
Een van de meer bekende organisch chemische verbindingen is DDT, gesynthetiseerd in 1874. Bijna zeventig jaar later ontdekte de Zwitserse chemicus Paul Müller dat DDT effectief insecten doodde. Hij zou er in 1948 de Nobelprijs voor krijgen. DDT was in feite het eerste middel dat selectief werkte tegen insecten. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het veelvuldig ingezet, en er wordt geclaimd dat het indertijd veel duizenden mensenlevens heeft gered.
De echte doorbraak van synthetische bestrijdingsmiddelen in de landbouw vond plaats na de Tweede Wereldoorlog. De Duitsers hadden zenuwgassen ontwikkeld – organofosfaatverbindingen – waarvan afgeleide verbindingen als parathion en malathion werden ingezet als bestrijdingsmiddelen. Omdat er zoveel effectieve bestrijdingsmiddelen beschikbaar waren, werd het gewoon om akkers en weilanden als het ware te steriliseren, vrij te maken van insecten, schimmels en onkruiden.
Rachel Carson en de omslag in het denken over pesticiden
De brede werking en de effectiviteit van de nieuwe middelen waren tegelijkertijd hun zwakte. In 1962 verscheen in de Verenigde Staten het boek ‘Silent Spring’ van de mariene bioloog Rachel Carson. Aanleiding was een brief van haar vriendin, die zich beklaagde over de grote aantallen dode vogels nadat een spuitvliegtuig DDT had verspreid. In haar boek liet Carson zien wat de ecologische effecten waren van insecticiden die zich steeds verder opstapelden in de voedselketen.
Eerlijk gezegd was die discussie over bestrijdingsmiddelen aan mij voorbijgegaan tot pakweg het einde van mijn eerste jaar in Wageningen. In de zomer van 1970 was ik met andere studenten tabak en tomaten aan het plukken in Canada. Een ouderejaars pakte een spuitbus insecticide van me af met de retorische vraag: ‘Wil je ons allemaal dood hebben?’ Daarmee was bij mij het zaadje van milieubewustzijn ontkiemd. Later ben ik als lid van de Nederlandse jeugddelegatie naar het eerste Wereldmilieucongres in Stockholm geweest.
De maatstaf voor risico: de Harmonised Risk Indicator
In de jaren sinds het verschijnen van het boek van Rachel Carson is er veel veranderd. De hoeveelheden bestrijdingsmiddelen die per hectare worden gebruikt, zijn in de loop der jaren met bijna de helft verminderd en ook de toxiciteit is sterk afgenomen. Dit kan worden geïllustreerd aan de hand van de Harmonized Risk Indicator (HRI), een indicator die per werkzame stof de verkochte hoeveelheid vermenigvuldigt met een factor die het risico voor de gezondheid van mens en milieu weergeeft.
In 2022 was de Harmonised Risk Indicator in Nederland 45 procent lager in vergelijking met de basisperiode van 2015–2017 en 65 procent lager dan in 2011. In de Europese Unie is de HRI met 38 procent afgenomen. Ook is de hoeveelheid werkzame stof met het laagste risicoprofiel zeer sterk toegenomen – tot 25 maal de hoeveelheid die in 2011–2013 werd gebruikt. Dat gaat de goede kant op.
Bureaucratie als belemmering voor betere middelen
Waar het niet de goede kant op gaat, is met de toelating van bestrijdingsmiddelen. Veel laag-risicomiddelen blijven hangen in de bureaucratische procedures. Een bedrijf moet zoveel onderzoeken laten doen voordat het een aanvraag kan indienen, dat het al gauw vijf of zes jaar verder is en een half miljard euro armer. Alleen al daarom verbaast het niet dat de markt voor agrochemicaliën wordt beheerst door een viertal multinationals: BASF, Bayer, Corteva en Syngenta.
De enorme hoeveelheid ‘red tape’ heeft tot gevolg dat nieuwe, betere bestrijdingsmiddelen maar mondjesmaat op de markt komen. Daaronder ook de zogeheten ‘biologicals’ – biologische bestrijdingsmiddelen zoals bacteriën, schimmels en insecten die tegen ziekten en plagen worden ingezet. Een voorbeeld is het gebruik van de bacteriestam Bacillus amyloliquefaciens, die plantenwortels beschermt tegen schimmels. Op hun beurt worden sommige schimmels ingezet tegen insecten, en zijn er lieveheersbeestjes, roofmijten en wespen die vooral in kassen worden ingezet.
De neonicotinoïden: verbod met onbedoelde gevolgen
Een vrij recent voorbeeld zijn de neonicotinoïden (neonics). In 2018 werd het gebruik ervan verboden in de Europese Unie. Niet minder dan elf lidstaten verleenden echter kort daarop een tijdelijke vrijstelling. In 2023 besloot het Europese Hof dat die vrijstellingen niet meer zijn toegestaan, maar een aantal lidstaten trekt zich daar weinig van aan.
Waarom zijn die neonicotinoïden eigenlijk verboden? Ten tijde van hun introductie werden ze nog bejubeld als de nieuwe generatie middelen, veel milieuvriendelijker dan hun voorgangers. Het grote voordeel was dat je zaaizaad ermee kon behandelen, waardoor boeren niet of veel minder hoefden te spuiten. De werking bleef echter niet beperkt tot plaaginsecten. Omdat ook pollen neonics bevat, zouden honing- en wilde bijen en hommels er schade van ondervinden – een fenomeen aangeduid als ‘colony collapse disorder’ (CCD).
Een belangrijk punt van kritiek op het verbod was dat de conclusies voornamelijk waren gebaseerd op laboratoriumonderzoek, waarbij bijen werden blootgesteld aan hoge doses neonics, in situaties die zich in het vrije veld niet voordoen. Bovendien keken de onderzoekers naar individuele bijen en niet naar bijenvolken als superorganisme. In Australië wordt wel op grote schaal gebruik gemaakt van neonics, zonder grootschalige bijensterfte. In de VS verdween CCD rond 2012 zelfs van de radar en groeide het aantal bijenvolken juist. Een andere factor – de varroamijt – lijkt een aannemelijkere boosdoener.
Het verbod pakte ook voor bijen nadelig uit, omdat er minder koolzaad wordt gezaaid, waardoor ze een belangrijke bron van honing en stuifmeel verliezen. ‘Elk voordeel heb z’n nadeel.’
De opmars van het irrationele denken
Het is de laatste jaren een patroon geworden. Actiegroepen hameren constant op de gevaren van synthetische bestrijdingsmiddelen, waarbij de meest vreselijke ziekten de revue passeren – middelen die uitgebreid zijn beoordeeld door tientallen wetenschappers die integer en onafhankelijk de risico’s afwegen tegen het nut ervan. Gevoed door actiegroepen zien populistische politici, andere wetenschappers en journalisten aanleiding om de wetenschappelijke beoordeling terzijde te schuiven.
Het is één van de vele stappen in wat Dick Taverne twintig jaar geleden ‘The March of Unreason’ noemde – de opmars van het irrationele denken. Door de eigen instituties in een kwaad daglicht te stellen, groeit het wantrouwen en wordt uiteindelijk de democratie ondermijnd. ‘The rejection of reason has historically been closely linked with autocracy’, aldus Taverne in 2005.
De casus glyfosaat: wetenschap versus perceptie
Illustratief is de gang van zaken rond glyfosaat, een middel tegen onkruid dat al een halve eeuw op grote schaal wordt gebruikt. De werking berust op het blokkeren van een enzymsysteem dat alleen bij planten voorkomt, dus de algemene veronderstelling was dat het niet schadelijk is voor dieren. In 2015 beoordeelde het IARC glyfosaat echter als ‘waarschijnlijk kankerverwekkend’, waarmee het in het rijtje belandde met rood vlees, hete dranken en het verven van haren.
Hoe het IARC tot die conclusie kwam, is een verhaal apart. Het agentschap baseerde zich op een studie van Colombiaanse landarbeiders blootgesteld aan hoge concentraties glyfosaat bij de bestrijding van de cocateelt. De betreffende onderzoeker noemde die conclusie ’totally wrong’, omdat hij in zijn eigen onderzoek geen enkele aanwijzing had gezien voor de relatie. Misschien wel de allerergste omissie was dat de commissie volledig voorbijging aan een uitgebreide, langjarige studie onder bijna 90.000 boeren en landarbeiders in Iowa en North Carolina, waarbij geen relatie werd gevonden tussen blootstelling aan glyfosaat en kanker – een conclusie die sindsdien is bevestigd door circa vijftien toelatende instanties.
Joost van Kasteren
Freelance wetenschapsjournalist met een landbouwkundige achtergrond. Hoofdredacteur van Vork
Beeld: Susan Rexwinkel


