Natuurdata zetten stikstofzonering De Wieden ter discussie

Provincies en maatschappelijke organisaties zijn door de minister uitgenodigd, om onderbouwd met argumenten, bufferzones om Natura 2000-gebieden te verkleinen dan wel weg te laten. De sleutel voor een zonering ligt daarmee vooral bij de provincie. De minister stelt dat hij voor de eerste opzet van zonering onder andere de natuurdoelanalyses gebruikte. Daarvan is bekend dat die vol hiaten zitten, zoals de Ecologische Autoriteit meermalen aangaf.
Natuurdata
De meest harde informatie om een zonering te voorkomen is een positieve ontwikkeling op basis van natuurdata van het gebied. Daarbij spelen planten een bepalende rol. Abiotische factoren zoals voedselrijdom bepalen immers welke planten waar groeien en veel dieren zoals insecten zijn afhankelijk van specifieke planten.
In tegenstelling tot veel andere Natura 2000-gebieden zijn de voorkomende planten in De Wieden in de afgelopen twintig jaar diverse keren geïnventariseerd via vegetatiekarteringen. Daardoor is voor De Wieden inzichtelijk hoe de natuurkwaliteit zich ontwikkelt. Ecologisch adviesbureau Van der Goes en Groot publiceerde daar in maart 2024 een rapport over. Dat rapport was nog niet beschikbaar bij het opstellen van de natuurdoelanalyse door de provincie Overijssel. De NDA werd op 28 maart 2023 gepubliceerd.
Oordeel Ecologische Autoriteit
In de NDA concludeert de provincie dat het met drie habitattypen redelijk goed gaat en de doelen te halen zijn en met vijf habitattypen niet goed gaat. Opvallend is dat de Ecologische Autoriteit op 10 april 2024 stelde dat het met alle acht habitattypen slecht gaat. Over de drie habitattypen waar de provincie positief oordeelde, schreef de Ecologische Autoriteit: ‘De Ecologische Autoriteit onderschrijft de conclusie dat verslechtering is uitgesloten voor H3140 Kranswierwateren, H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden en H7210 Galigaanmoerassen niet. Deze habitattypen hebben een bestaande negatieve trend en worden deels bedreigd door exoten, waaronder Ongelijkbladig fonteinkruid. Galigaanmoerassen komen versnipperd en met een zeer kleine oppervlakte voor.’
Vergelijking vegetatiekarteringen
De veronderstelde achteruitgang blijkt niet uit de vergelijking van de vegetatiekarteringen. Van der Goes en Groot vergeleken de vegetatiekartering van 2020-2022 met die van 2005-2007 en zijn in algemene zin positief over de ontwikkeling van de natuur, omdat de waterkwaliteit verbeterde. Ten aanzien van de acht habitattypen gaan alleen Hoogveenbos en Galigaanmoeras in oppervlakte achteruit: Berkenbroekbos van 132 naar 105 hectare en Elzenbroekbos van 553 naar 524 hectare.
Uit het rapport blijkt dat dit door menselijk ingrijpen komt: ‘Het areaal Berkenbroekbos rond Dwarsgracht lijkt sterk verkleind na 2007. Waarschijnlijk is dit het gevolg van natuurontwikkeling, zoals het graven van nieuwe petgaten. Hierbij zijn grote stukken bos verwijderd.’
Verder benadrukken de onderzoekers dat er nog een groot elzenbroekbos is waarbij ‘het niet ondenkbaar is’ dat dit zich ontwikkelt naar veenrijk berkenbroekbos. Ze schatten de vooruitzichten dus positief in.
| Habitattype | Oordeel NDA | Oordeel EA | Oppervl. 2005-2007 | Oppervl. 2020-2022 | |||||
| Kranswierenwateren | Ja, mits | Negatief | 15 | 29 | |||||
| Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden | Ja, mits | Negatief | 21 | 62 | |||||
| Vochtige heide | Nee, tenzij | Negatief | 9 | 14 | |||||
| Blauwgrasland | Nee, tenzij | Negatief | 7 | 8 | |||||
| Trilvenen | Nee, tenzij | Negatief | 31 | 81 | |||||
| Veenmosrietland | Nee, tenzij | Negatief | 459 | 570 | |||||
| Galigaanmoerassen | Ja, mits | Negatief | 0.41 | 0.37 | |||||
| Hoogveenbossen | Nee, tenzij | Negatief | 132 | 105 |
Galigaanmoeras
Bij Galigaanmoeras speelt iets anders. In de begeleidende tekst staat dat de afname van 0,04 hectare te verklaren is doordat er in het verleden op twee locaties karteerfouten zijn gemaakt. Daardoor lijkt het alsof er sprake is van een achteruitgang, terwijl de oppervlakte juist toeneemt. De onderzoekers concluderen namelijk zelf: ‘Galigaanmoeras is beperkt tot het zuiden van de Wieden. De oppervlakte Galigaanmoeras is hier na 2007 sterk toegenomen.’
Bovendien komt galigaan volgens de onderzoekers op veel meer plekken voor in De Wieden, alleen zijn dat nog geen aaneengesloten oppervlakten, waardoor die niet meetellen.
Blauwgrasland
De andere zes habitattypen nemen volgens de vergelijking allemaal in oppervlakte toe. Alleen bij Blauwgrasland lijken karteerverschillen de oorzaak van de toename te verklaren. De oppervlakte is volgens de onderzoekers gelijk gebleven.
Uit de vergelijking blijkt verder dat de kwaliteit van de vegetaties van die zes habitattypen ook positief is. Alleen bij Blauwgrasland constateren ze een verslechtering. Daar staat wel tegenover dat de oppervlakte van rompgemeenschappen waar Blauwgrasland uit ontwikkeld kan worden in oppervlakte toeneemt van 42 naar 60 hectare.
Conclusie
Op basis van de ontwikkeling van de vegetatie gaat alleen Blauwgrasland in kwaliteit achteruit. Dit habitattype is afhankelijk van kalkrijk kwelwater en voedselarme omstandigheden. De beheermaatregel plaggen leverde op de meeste plekken geen verbetering op, omdat er waarschijnlijk geen kalkrijk kwelwater in voldoende mate naar boven komt. Alle andere habitattypen nemen in oppervlakte toe met dezelfde of betere kwaliteit. Een zonering van 500 meter rond het gebied met extensieve landbouw lijkt daarmee niet nodig.
Reactie provincie Overijssel
Provincie Overijssel laat weten in het voorjaar van 2027 de tweejaarlijkse update van de natuurdoelanalyse van de Wieden gereed te hebben. Dat is te laat voor het ministerie dat al dit jaar wil weten van provincies en maatschappelijke organisaties of de voorgestelde zonering van 500 meter er daadwerkelijk moet komen. Of de provincie de zonering ter discussie stelt, is nog niet bekend. De woordvoerder laat weten dat de voorstellen van het kabinet bestudeerd worden: „Zodra duidelijk is wat het Rijk precies van provincies vraagt en welke onderbouwing daarbij nodig is, bepalen we hoe we daar invulling aan geven. Daar lopen we nu niet op vooruit.”
Ten aanzien van de conclusies uit de vegetatiekartering liet de woordvoerder in eerste instantie weten dat ‘alleen het vergelijken van oppervlakten’ van habitattypen onvoldoende was om de staat van die habitattypen te beoordelen. De redactie wees de provincie er vervolgens op dat de vegetatiekartering juist breder kijkt en ook inzicht geeft in karteerverschillen en kwaliteit. De provincie bevestigde dit later en stelde vervolgens: „De vegetatiekartering is een belangrijke basis voor de beoordeling van de ontwikkeling van De Wieden. Voor de nieuwe habitattypenkaart (T1-habitattypenkaart) en het nieuwe Natura 2000-beheerplan maken we een bredere analyse van de ontwikkeling van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen, en van de factoren die daarbij een rol spelen. Die bredere analyse is nodig om tot een afgewogen oordeel over de ontwikkeling van het gebied te komen. Ook voor de vraag of een zonering nodig is en welke omvang daarbij eventueel passend is, is die bredere beoordeling van belang. We vinden het voorbarig om daar nu al een conclusie aan te verbinden. Bovendien vraagt de zonering uiteindelijk ook om een politiek-bestuurlijke afweging.”
De redactie legde ook vragen voor aan de Ecologische Autoriteit. De antwoorden op die vragen waren nog niet binnen op het moment van publiceren.
Robert Ellenkamp
Hoofdredacteur, onderzoeksjournalist en documentairemaker bij Agrio op het domein landbouw en natuur. Sinds 1999 werkzaam in de landbouwsector. Verdiept zich als onderzoeksjournalist sinds 2019 in stikstof en natuur.
Beeld: Agrio
