BIN-praktijkdata geeft inzicht
Je melkveebedrijf verduurzamen: wat kun je doen, wat kost het en wat levert het op?

Naast een startvergoeding ontvangen boeren die deelnemen aan BIN jaarlijks benchmarkinformatie waarmee ze hun prestaties langs die van vergelijkbare bedrijven kunnen leggen. Dat biedt waardevolle inzichten.
Als je niet weet waar je staat, is het moeilijk om een route uit te stippelen
Zegt Alfons Beldman, senior onderzoeker melkveehouderij, duurzaamheid en ondernemerschap bij Wageningen Social & Economic Research (WSER). Hij benadrukt het belang van praktijkdata: niet alleen voor onderzoek en landbouwbeleid, maar ook voor ondernemers die voor belangrijke keuzes staan.
“Vanuit technisch onderzoek is een groot aantal verduurzamingsmaatregelen beschikbaar, maar hoe weet je nu welke maatregel voor jouw bedrijf de beste keuze is. Je kunt natuurlijk niet verwachten dat boeren in de praktijk zomaar alle beschikbare maatregelen gaan nemen,” vertelt hij. Daarom is het waardevol om te onderzoeken welke keuzes bij welk type bedrijf passen. Doordat niet wordt gerekend met één gemiddeld melkveebedrijf, maar met verschillende bedrijfstypen, vormen BIN-praktijkdata een goede basis om te laten zien welke maatregelen in welke bedrijfssituatie kansrijk zijn.
Onafhankelijk onderzoek met praktijkdata
Hoe ontwikkelt de Nederlandse landbouw zich in de praktijk? Het BIN verzamelt daarvoor gegevens van ongeveer 1.500 land- en tuinbouwbedrijven, 100 visserijbedrijven en 100 bosbouwbedrijven, die samen een representatieve afspiegeling van de Nederlandse landbouwsector vormen.
Wageningen Social & Economic Research voert deze wettelijke onderzoekstaak uit namens de Europese Unie en de Nederlandse overheid. De praktijkdata vormen de basis voor onafhankelijk onderzoek, landbouwbeleid en sectorinzichten, vooral op het vlak van economie en duurzaamheid.
Leren van bedrijven die op het jouwe lijken
“Binnen de melkveehouderij lopen jaarlijks tientallen onderzoeken. Sommige projecten duren meerdere jaren, andere hebben een kortere doorlooptijd of keren jaarlijks terug”, vertelt Beldman. Al ruim dertig jaar doet hij onderzoek naar de economische en duurzame ontwikkeling van melkveebedrijven in Nederland.
Deelnemers aan BIN leveren daarvoor veel informatie aan, onder meer over voeraankopen, melkproductie, bedrijfsopzet, economische resultaten en duurzaamheidsprestaties. Daar krijgen zij waardevolle informatie voor terug. Via een benchmark kunnen ze hun bedrijf vergelijken met melkveebedrijven met bijvoorbeeld een vergelijkbare omvang, grondsoort en veebezetting. “Twee bedrijven kunnen sterk op elkaar lijken, maar toch grote verschillen laten zien in economische resultaten en duurzaamheidsprestaties. Dan is het interessant om te zien waar de verschillen in zitten”, vertelt Beldman.
Wat doe ik anders dan collega’s met een vergelijkbaar melkveebedrijf?
Als voorbeeld noemt Beldman bedrijven op dezelfde grondsoort, met een vergelijkbaar bouwplan en eenzelfde veebezetting per hectare, die toch behoorlijk van elkaar verschillen in stikstofverliezen of de uitstoot van broeikasgassen. “De reden achter deze verschillen varieert per bedrijf, maar zit bij voorbeeld in aankoop van ander voer of in een ander beweidingssysteem.”
Wat laten de cijfers zien?
Een actueel voorbeeld is het onderzoek waarin Wageningen Social & Economic Research verschillende routes naar extensivering heeft doorgerekend. Op basis van gegevens uit het BIN zijn voor verschillende typen melkveebedrijven de technische, economische en milieueffecten van maatregelen in kaart gebracht.
Het onderzoek laat zien dat de gevolgen van extensiveren sterk afhangen van de uitgangssituatie van een bedrijf. Minder koeien houden of extra grond pachten verlaagt over het algemeen de ammoniakemissie en het stikstofbodemoverschot per hectare, maar leidt zonder aanvullende inkomsten of compensatie doorgaans ook tot een lager bedrijfsinkomen. De berekende inkomensdaling varieert van ongeveer €150 tot €730 per hectare per jaar, afhankelijk van het gekozen bedrijfsplan. Het hele onderzoeksverslag ‘Extensivering melkveehouderij en akkerbouw’ is kosteloos te raadplegen op de website van WUR.
De diversiteit van de bedrijven die in BIN zitten, is essentieel. “We komen binnen BIN zeker ook extensieve bedrijven tegen die het economisch goed doen. Die realiseren bijvoorbeeld een hogere melkprijs doordat ze biologisch zijn en hun producten rechtstreeks aan de consument afzetten. Bij dit soort voorbeelden is het wel belangrijk om goed te kijken of dit breder kan worden toegepast.”
Wat is haalbaar in de praktijk?
Volgens Beldman zit de waarde van zulke berekeningen niet alleen in de uitkomst, maar vooral in het inzicht. BIN-data laten zien welke keuzes voor een bepaald type bedrijf het meest effect hebben. Dat helpt ondernemers om beter onderbouwde beslissingen te nemen en geeft beleidsmakers een realistischer beeld van wat in de praktijk haalbaar is.
Als ander voorbeeld noemt Beldman onderzoek naar melkveebedrijven die hoog scoren op verschillende duurzaamheidsaspecten. Hoe doen deze bedrijven het economisch? “Dat kun je alleen onderzoeken als je van dezelfde bedrijven zowel economische gegevens als duurzaamheidsdata hebt. Daarin is BIN uniek.” De uitkomst nuanceerde een hardnekkige aanname: bedrijven met goede duurzaamheidsprestaties bleken gemiddeld ook economisch beter te presteren. “Het beeld bestaat dat duurzamer werken vooral geld kost. Uit dit onderzoek blijkt dat duurzaamheid en economisch resultaat juist samen kunnen gaan. Al is het niet simpel.”
Trends in schaalvergroting en automatisering
BIN-data worden ook gebruikt om bredere vragen over de toekomst van de melkveehouderij te onderzoeken: hoeveel bedrijven hebben we nog over 10 jaar? Hoeveel melk wordt er dan nog geproduceerd en blijven we dan binnen de milieugrenzen? Een duidelijke trend is schaalvergroting. Omdat het totale aantal melkkoeien door het fosfaatrechtenstelsel is begrensd, kan een bedrijf alleen groeien als elders ruimte vrijkomt. Groei kan helpen om de kosten per kilo melk te verlagen en investeringen mogelijk te maken, bijvoorbeeld in techniek. Ook de toenemende automatisering is duidelijk zichtbaar: inmiddels melkt ongeveer 40 procent van de melkveehouders met een melkrobot. Van de melksystemen die nu nieuw worden geïnstalleerd, is circa 80 procent een automatisch melksysteem.
Hoe wordt de privacy van deelnemende melkveehouders beschermd?
De gegevens van BIN-deelnemers worden zorgvuldig beschermd. Onderzoeksresultaten zijn niet herleidbaar tot een individueel bedrijf. Individuele bedrijfsgegevens worden niet gedeeld voor controle doeleinden. In het kader van de Wettelijke Onderzoekstaak (WOT) worden gegevens gepseudonimiseerd (onder nummer) gedeeld met de EU. Ook binnen de WUR zelf is de toegang beperkt. Resultaten worden in rapportages uitsluitend als gemiddelde van een groep van bedrijven naar buiten gebracht en zullen niet te herleiden zijn tot individuele bedrijven.
Deelnemen aan BIN
Om een betrouwbaar beeld van de Nederlandse landbouw te geven, moet BIN representatief blijven voor de sector. Beldman: “Bedrijven doen niet eeuwig mee. Er is altijd behoefte aan nieuwe aanwas.” Melkveehouders die het belangrijk vinden dat onderzoek en beleid worden gebaseerd op realistische praktijkdata en daaraan willen bijdragen, kunnen zich aanmelden voor een kennismakingsgesprek. Daarna wordt bekeken of het bedrijf past binnen de samenstelling van de steekproef.
Bij vragen kunnen ondernemers terecht bij BIN-medewerkers in regiokantoren Alkmaar, Den Haag, Drachten, Goes, Holten, Meijel, Oisterwijk en Wageningen. Meer informatie over het bedrijveninformatienet is terug te vinden op de website van Wageningen University & Research: www.wur.nl/bedrijveninformatienet
Tekst: Marloes ten Oever
Beeld: Wageningen University & Research

Over Bedrijveninformatienet WUR
Het Bedrijveninformatienet (BIN) is een netwerk van circa 1.500 land- en tuinbouwbedrijven die praktijkgegevens delen voor onafhankelijk onderzoek. Samen geven zij inzicht in de economische en duurzame ontwikkeling van de Nederlandse landbouw. Deelnemers ontvangen waardevolle bedrijfsinformatie en vergelijkingen, terwijl hun gegevens bijdragen aan kennis, beleid en een toekomstbestendige sector.


