Sterke Erven Logo

Reovirus blijft opduiken bij trager groeiende vleeskuikens

04 min
Beeld ter illustratie.
Reovirus blijft opduiken bij met name trager groeiende vleeskuikens. In het eerste halfjaar van 2026 werd in 143 sectie-inzendingen bij Royal GD de diagnose peesschedeontsteking door reovirus gesteld. Het betrof 10 inzendingen van reguliere vleeskuikens, 129 inzendingen van trager groeiende vleeskuikens en vier inzendingen van overig pluimvee; eenmaal opfok-vleeskuikenouderdieren en driemaal opfok-leg. Zo maakte Royal GD bekend in Veekijkernieuws Pluimvee.

Van de gevonden reovirussen is het genotype bepaald op basis van het σC-gen. De nieuwe groepsindeling die GD hanteert, maakt onderscheid in genogroep 1 tot en met 7, waarbij het veel aangetoonde genotype 4.7 onder genogroep 6 is gaan vallen.

Waar in 2025 nog 45 procent van de getypeerde virusisolaten tot genotype 4.7 behoorde, was dat in de eerste helft van 2026 nog 8 procent. De dominantie van deze groep wordt overgenomen door genotype 1 met 72 procent van alle getypeerde virussen. Dit wordt vooral veroorzaakt door een cluster van ongeveer 71 inzendingen met een sterk overeenkomend genotype. Het betreft 70 vleeskuikenkoppels van een trager groeiend ras en 1 vleeskuikenkoppel van een regulier ras. De inzendingen zijn afkomstig van 53 bedrijven. De grote mate van gelijkheid binnen de clusters wijst op spreiding vanuit één of enkele bronnen.

Spreiding van reovirus

Om beter te begrijpen hoe reovirus zich verspreidt binnen de sector, is met enkele praktijken gestart om de genotyperingsgegevens te delen op praktijk- en bedrijfsniveau. Hiermee worden verbanden binnen en tussen bedrijven beter geduid. Is er bijvoorbeeld sprake van een herinfectie met hetzelfde reovirus op een bedrijf, of duikt één virus juist op meerdere bedrijven op waar kuikens van hetzelfde vermeerderingsbedrijf zijn geleverd? Dit helpt om grip te krijgen op de uitbraken.

Het cluster binnen genotype 1 lijkt te zijn ontstaan in het eerste kwartaal van 2026 en zet zich tot in het derde kwartaal van 2026 voort. Op het moment van schrijven (september 2026) lijkt het cluster echter tot rust gekomen. Met het cluster worden minimaal drie vermeerderingsbedrijven geassocieerd. Clusters verschijnen vaak als er sprake is van verticale overdracht. In eerdere gevallen van verticale overdracht werd gedurende ongeveer zes weken reovirus bij de nakomelingen gevonden; daarna was de uitbraak voorbij en zijn nieuwe nakomelingen afkomstig van het moederdierenbedrijf tegen de reovirusstam beschermd door de (maternale) antilichamen die bij de infectie worden aangemaakt. Afhankelijk van de grootte van het bedrijf kan een uitbraak korter of langer duren. Dat verticale overdracht 12 tot 16 weken aanhield is uitzonderlijk, net als betrokkenheid van meerdere bedrijven. De vraag is daarom of spreiding nog op een andere manier plaatsvindt, bijvoorbeeld vanuit nieuwe gevallen van verticale transmissie of door een besmetting in de broederij.

Het kleine clustertje met zeven isolaten uit het eerste kwartaal betreft waarschijnlijk een restant van een geval van verticale transmissie uit het laatste kwartaal van 2025. Ook binnen genotype 4 vallen een paar kleine clusters in het eerste en tweede kwartaal van 2026 op. Bij deze clusters is spreiding vanuit één bron niet uit te sluiten.

Antilichamen tegen reovirus bij moederdieren

Bij vleeskuikenouderdieren worden reovirusantilichamen gemonitord aan het einde van de opfok en/of het begin van de productie om de bescherming die aan de kuikens wordt meegegeven te bepalen. De gevonden antilichaamtiters zijn een combinatie van antilichamen aangemaakt naar aanleiding van toegediende vaccinaties en aangemaakt bij doorgemaakte infecties. De testresultaten kunnen sterk verschillen tussen verschillende testen, en in mindere mate tussen laboratoria. Om resultaten goed te kunnen vergelijken is het belangrijk om dezelfde test en hetzelfde laboratorium te gebruiken.

Tot en met 2025 werd een richtlijn aangehouden van minimaal titergroep 7 bij 75 procent van de moederdieren. Deze richtlijn is gebaseerd op oude data en de destijds gehanteerde vaccins. In 2026 is overgegaan op een nieuw commercieel vaccin met een bredere bescherming. Sindsdien worden lagere antilichaamtiters gevonden in de reovirus-IDEXX-ELISA.

In 2026 voldeed nog slechts 3 procent van de reproductiekoppels van reguliere rassen en 7 procent van de koppels van trager groeiende rassen aan de oude richtlijn. In eerdere jaren schommelde dat tussen de 24 en 61 procent. Bij toepassing van het vaccin onder gecontroleerde omstandigheden werden vergelijkbare titers gevonden in de reovirus-IDEXX-ELISA; bij tweemaal vaccineren waren de titers iets hoger. Het gebruik van de nieuwe vaccins is een goede verklaring voor de lagere titers.

Op basis van de gevonden gegevens is titergroep 4 of hoger bij minimaal 75 procent van de monsters een geschikte richtlijn na één levende en één dode vaccinatie. Bij twee dode vaccinaties zou een titergroep 5 of hoger bij minimaal 75 procent van de monsters haalbaar moeten zijn. In hoeverre een bepaalde titer overeenkomt met bescherming tegen reovirus(variant)stammen moet nog verder worden onderzocht.

Voorkom schade door reovirus

Voorkomen van insleep en versleep van reovirus is belangrijk om schade door reovirus te voorkomen. Goede biosecurity op zowel vermeerderingsbedrijven, broederijen als vleeskuikenbedrijven kan helpen om het aantal reovirusgevallen door zowel horizontale als verticale transmissie te voorkomen of te beperken, aldus Royal GD. Lees verder in het Veekijkernieuws van Royal GD van oktober.

Beeld: Ellen Meinen

Bron: Royal GD

Tags
PluimveeDiergezondheidVleeskuikenLegpluimvee