Sterke Erven Logo

Nieuwe regels voor berekening mestvoorraad moeten onterechte boetes voorkomen

05 min
Mest op een roostervloer
Alle agrarische bedrijven met mestopslag moeten vanaf 2027 bij de berekening van hun begin- en eindvoorraad mest dezelfde stikstof- en fosfaatgehalten gebruiken. Daarmee wil het ministerie van LVVN voorkomen dat bedrijven door verschillen in de berekening ten onrechte de mestgebruiksnormen lijken te overschrijden. Ook moeten veehouders voortaan jaarlijks hun maximale mestopslagcapaciteit doorgeven. Dat staat in een voorstel tot wijziging van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, waarop tot en met 18 november kan worden gereageerd.

Wie mest op het eigen bedrijf opslaat, moet jaarlijks berekenen hoeveel stikstof en fosfaat daarin zit. Juist die berekening kan nu tot problemen leiden. Voor de begin- en eindvoorraad van hetzelfde kalenderjaar kunnen namelijk verschillende gehalten worden gebruikt.

Dat komt doordat gedurende het jaar nieuwe analyseresultaten van afgevoerde mest beschikbaar komen. Volgens de huidige regels moeten deze gegevens worden gebruikt om de eindvoorraad te berekenen. De beginvoorraad blijft echter gebaseerd op de gehalten waarmee de eindvoorraad van het voorgaande jaar is vastgesteld. Zo kan de berekende hoeveelheid aangewende mest afwijken van de werkelijke hoeveelheid.

Nieuwe berekening voorkomt onterechte overschrijdingen

Bij controles door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) kan het verschil ertoe leiden dat een veehouder ten onrechte wordt aangemerkt als iemand die de mestgebruiksnormen heeft overschreden. Andersom kan ook gebruiksruimte ontstaan die er in werkelijkheid niet is.

Sinds 2018 zijn er ongeveer veertig controles geweest waarbij een overschrijding van de gebruiksnormen werd berekend die er in werkelijkheid niet was, zo blijkt uit cijfers van het ministerie. Ook in rechtszaken wordt het probleem steeds vaker als beroepsgrond aangevoerd.

Om dit te voorkomen, moeten agrarische bedrijven met mestopslag voor zowel de begin- als de eindvoorraad van hetzelfde kalenderjaar rekenen met de best beschikbare gegevens over de stikstof- en fosfaatgehalten uit het voorgaande kalenderjaar. Ook wordt vastgelegd dat het gewicht van de beginvoorraad gelijk moet zijn aan dat van de eindvoorraad van het voorgaande jaar.

Veehouders weten daardoor al aan het begin van het jaar met welke gehalten ze moeten rekenen. Dat maakt het volgens LVVN eenvoudiger om een bemestingsplan op te stellen en gedurende het jaar te bepalen hoeveel mest nog kan worden aangewend.

De nieuwe berekeningswijze sluit niet altijd beter aan bij de werkelijke situatie. Veranderingen in de bedrijfsvoering, mestsamenstelling of mestvoorraden kunnen nog steeds voor afwijkingen zorgen. Landbouwers mogen in uitzonderlijke gevallen met eigen bewijsmateriaal aantonen dat hun situatie anders is.

Jaarlijks opslagcapaciteit doorgeven

Een tweede wijziging betreft de registratie van mestopslag op veehouderijen. Veehouders moeten voortaan jaarlijks via de Aanvullende Gegevens Landbouwer (AGL) doorgeven hoeveel mest zij maximaal kunnen opslaan. Het gaat om de opslagcapaciteit die aan het einde van het kalenderjaar op het bedrijf aanwezig is, uitgesplitst naar mestsoort en mestcode en uitgedrukt in kubieke meters.

Boeren moeten deze gegevens nu al in hun eigen administratie bijhouden, maar hoeven ze niet jaarlijks aan RVO door te geven.

Aanleiding voor de wijziging zijn signalen dat bedrijven soms meer mest op voorraad opgeven dan volgens hun geregistreerde opslagcapaciteit mogelijk is. Het ministerie denkt dat dit gebeurt wanneer de gegevens over de opslagcapaciteit niet meer actueel zijn.

Uit een analyse van RVO blijkt dat bij ongeveer 30 procent van de landbouwers de maximale opslagcapaciteit binnen twee jaar met 25 procent is veranderd. RVO en NVWA willen de jaarlijkse opgave gebruiken om te controleren of de geregistreerde mestvoorraad overeenkomt met de beschikbare opslagruimte.

Deadline mestadministratie verschuift naar 14 februari

Boeren krijgen ook meer tijd om hun mestadministratie af te ronden. De uiterste datum voor het indienen van de AGL verschuift van 31 januari naar 14 februari.

Daarnaast wordt de termijn voor het doorgeven van een fosfaatverrekening verruimd. Dat hoeft niet langer uiterlijk 31 december van het betreffende kalenderjaar, maar mag tot en met 14 februari van het daaropvolgende jaar.

Beide termijnen sluiten daarmee aan op de verplichting om voor 15 februari het bemestingsplan in de administratie op te nemen. De aanpassing is volgens het ministerie gedaan op verzoek van de veehouderijsector. Boeren en hun adviseurs kunnen zo verschillende administratieve handelingen op hetzelfde moment uitvoeren.

Extra registratie bij mestexport naar Duitsland

Ook bij mestexport naar Duitsland verandert er iets. Voor transporten naar Noordrijn-Westfalen, Nedersaksen, Saksen-Anhalt en Rijnland-Palts moet voortaan het unieke bedrijfs- of registratienummer van de Duitse afnemer worden ingevuld in het realtime Vervoersbewijs Dierlijke Mest (rVDM).

Die verplichting bestaat nu nog niet. Volgens het ministerie worden bij mestexport niet altijd de juiste gegevens en adressen van Duitse afnemers opgegeven. Er zijn zelfs transporten geregistreerd naar foutieve of niet-bestaande adressen.

Met het extra registratienummer kunnen Nederlandse en Duitse toezichthouders beter nagaan of de mest daadwerkelijk bij de opgegeven afnemer terechtkomt. De Duitse ontvanger moet het benodigde nummer aanleveren.

Nieuwe mestregels moeten op 1 januari 2027 ingaan

De meeste wijzigingen moeten op 1 januari 2027 ingaan. Alleen de verruimde termijn voor het melden van fosfaatverrekening gaat eerder in, namelijk de dag na publicatie van de definitieve regeling in de Staatscourant. Daardoor kan de nieuwe termijn al worden toegepast op het kalenderjaar 2026.

De aangepaste berekening van de mestvoorraad is voorafgaand aan de consultatie voorgelegd aan landbouwers. Volgens het ministerie konden de deelnemers aan deze praktijktoets zich vinden in de wijziging. Die lost een bestaand knelpunt op en maakt de berekening van het mestgebruik voorspelbaarder.

De wijzigingen zorgen volgens berekeningen van RVO gezamenlijk voor ongeveer 2,06 miljoen euro aan administratieve lasten. Daarvan heeft ruim 906.000 euro betrekking op de nieuwe berekening van de mestvoorraad.

De internetconsultatie loopt van 21 oktober tot en met 18 november 2026. Daarna kan het ministerie het voorstel nog aanpassen.

Beeld: Eline Mekelenkamp

Tags
MelkveeExportMinisterie landbouwPolitiekRegelgevingTweede KamerMest