Hokvorm beïnvloedt biggenuitval in Duitse vrijloopkraamhokken

Onderzoekers van het Duitse proefbedrijf Köllitsch vergeleken bijna tien jaar lang de prestaties van verschillende kraamhoksystemen. Ze verzamelden de gegevens van 2.119 zeugen. De onderzoekers keken onder meer naar de invloed van de hokvorm op het liggedrag van zeugen en de overlevingskansen van biggen.
Opvallend was dat in de langwerpige hokken de biggenuitval gemiddeld 15,4 procent bedroeg, tegenover 18,4 procent in meer vierkante hokken. Hoewel dat verschil statistisch net niet significant is, geeft het volgens de onderzoekers wel een aanwijzing dat de vorm van het kraamhok een belangrijke rol speelt in het voorkomen van doodliggen.
In de langwerpige hokken maakten zeugen tot 30 procent minder rolbewegingen dan in de meer vierkante varianten. Volgens de onderzoekers kan een langwerpige hokvorm, in combinatie met goed geplaatste beschermingsbeugels, helpen om de bewegingen van de zeug te begeleiden.
Groter dan Nederlands minimum
De onderzoekers adviseren vrijloopkraamhokken van 7,2 tot 7,5 vierkante meter, bij voorkeur met een langwerpige indeling. Daarmee ligt hun advies boven de 6,5 vierkante meter die de Nederlandse overheid als wettelijk minimum wil voorschrijven. Het Beter Leven-keurmerk stelt met 7,5 vierkante meter een hogere eis.
Ook de vloer speelt een rol. Zeugen moeten voldoende grip hebben om gecontroleerd te kunnen gaan liggen. Daarvoor zijn volgens de onderzoekers zowel stroeve betonvloeren als geschikte roostervloeren mogelijk. Gladde kunststofvloeren kunnen problemen geven. Een vloer met grip helpt zeugen om zich voorzichtig laten zakken, in plaats van ongecontroleerd op hun zij te vallen.
Hogere biggenuitval dan gangbaar
Over alle onderzochte systemen lag de biggenuitval in vrijloopkraamhokken gemiddeld op 17,8 procent, tegenover 16,4 procent in traditionele kraamhokken. Dat verschil van 1,4 procentpunt was wel statistisch significant. Bij gemiddeld 15,6 levend geboren biggen betekent dit ongeveer 0,22 extra uitgevallen big per worp.
De overlevende biggen groeiden in vrijloopkraamhokken tijdens de zoogperiode wel sneller. Bij het spenen waren ze gemiddeld 300 gram zwaarder. Dat voordeel leverden de biggen overigens snel weer in. Na het spenen groeiden ze juist 27 gram per dag minder snel.
Tekst: Bart van de Laak
Beeld: Ellen Meinen
Bron: TopAgrar


