Sterke Erven Logo
9

Grote verschillen tussen percelen bij Topmaisteler Philipsen

904 min
De bodemanalyse bevat veel informatie. De drie Topmaïstelers willen graag weten hoe ze al deze kengetallen kunnen gebruiken om hun maïsteelt te verbeteren. Bodemspecialist Arjan Reijneveld van Eurofins helpt hen daarbij. Hierbij een foto-impressie van het bezoek bij Lambert Philipsen in Sevenum (LB).
Philipsen teelt zijn maïs op wel 20 verschillende percelen. Doordat de ondernemer ook een akkerbouwtak heeft, rouleert hij regelmatig met de maïs over de verschillende percelen.
Aan de keukentafel bekijkt Reijneveld de bodemanalyses op de tablet. Opvallend is het grote verschil in bodemvruchtbaarheid en toestand van de mineralen tussen de percelen. Zo bevat het ene perceel maar 1,4 procent organische stof terwijl een ander perceel ruim boven de 5 procent uit komt. Hoewel de bodemvruchtbaarheid erg wisselt per perceel, heeft de grond bij Philipsen over het algemeen een goede pH. „Het organische stofgehalte verhoog je niet zomaar even. Zeker niet als je ook nog regelmatig percelen uitruilt met andere akkerbouwers. Maar de pH kun je wel goed bijsturen en daar ben ik dan ook erg mee bezig”, legt hij uit.
Tijdens het gesprek komt de bemesting van sporenelementen ter sprake. „Ik probeer alle elementen zoveel als mogelijk op norm toe te dienen. Dat komt omdat ik akkerbouwmatig naar de maïsteelt kijk. In veel akkerbouwgewassen zijn sporenelementen belangrijk. Mijn ervaring is dat een tekort van een bepaalt element direct opbrengst kost.” Hij noemt expliciet de sporenelementen borium en mangaan. Die bemest of bespuit hij zo nodig bij. Reijneveld is het met de melkveehouder eens. „Sporenelementen zijn wat onderbelicht maar wel degelijk belangrijk.” Hij waarschuwt echter ook voor een overmaat aan sporenelementen. „Een overmaat aan borium kan dezelfde symptomen geven als een tekort; een mindere kolfzetting.” Op gronden waar mineralen makkelijk uitspoelen is hij overigens niet zo bang voor een overmaat.
Opvallend is het hoge bodemvoorraad aan fosfaat op de percelen die Philipsen huurt. De beschikbaarheid is echter niet in verhouding, en vaak aan de lage kant. „Ik merk dit in het voorjaar. Op deze percelen ‘ziet’ de mais bij koud weer al snel paars”, merkt de ondernemer op. Reijneveld knikt. „In tegenstelling tot bijvoorbeeld stikstof, kali, zwavel maar ook borium, is fosfaat niet mobiel. De wortel moet dus naar het fosfaat toe in plaats van andersom. Het is net als met de keuken. Er zit genoeg eten in de kast, maar het is ook belangrijk dat het op het bord terecht komt. Het enige wat je er aan kan doen is de omstandigheden om de beschikbaarheid te verbeteren zo gunstig mogelijk te maken. Een goede pH en een goede bodemstructuur helpen daar vooral bij.” Philipsen speelt er zelf ook op in door het aandeel drijfmest af te stemmen op de fosfaatbeschikbaarheid van het perceel. De drijfmestgift varieert op deze manier van 25 tot 50 kuub per hectare.
Bij het bezoek aan een aantal maïspercelen valt de flinke ‘snee’ Italiaans raaigras op. „De groenbemester is dit jaar goed geslaagd”, geeft de ondernemer aan. Deze week wil hij het gewas onderwerken. „Om de opgevangen mineralen voor dit seizoen optimaal te benutten wordt het daar wel tijd voor.”
Dat de groenbemester goed geslaagd is, bewijst ook de prikstok. Reijneveld laat zien dat de wortels tot aan het eind van de prikstok zitten. „Het gras heeft goed geworteld.” De maisteler is er ook blij mee. „Die wortels laat ik zoveel mogelijk zitten door niet te diep te ploegen. Wortels brengen juist lucht in de bodem. Deze gangen worden weer benut door de maiswortels. Ook warmt het perceel sneller op.”
Op een aantal percelen ligt een hoop vaste mest. „Ik rij dit vooral op mijn eigen percelen die een lager aandeel organische stof bevatten”, vertelt Philipsen. Eigenlijk zou hij veel meer organische mest willen toedienen, maar hij heeft mestwet technisch geen ruimte om extra compost aan te voeren.
Ondanks de zanderige structuur op een perceel met een laag aandeel organische stof, valt het Reijneveld op dat hij weinig plekken tegenkomt waar hij weerstand voelt met de prikstok. „De grond is mooi homogeen wat duidt op een goede structuur.”
Bij het verlaten van het perceel valt een luzerneplant op. Philipsen geeft aan dat hij een paar jaar geleden luzerne heeft geteeld om de structuur van de bodem te verbeteren. Het gewas heeft hij als structuurbron aan de koeien gevoerd. „Je kunt door de pinwortel niet sneller de structuur van je grond verbeteren, dan met dit gewas.”

Beeld: Sjouke Jacobsen

Tags
MelkveeVoerGrasMais