Sterke Erven Logo

'Toepassing GMI-techniek bij zeugen zorgt voor 2 extra biggen'

03 min
Het toepassen van de GMI-techniek bij zeugen, en op basis van de uitkomsten het voerrantsoen gericht aanpassen, resulteert tot twee biggen extra per zeug per jaar. Dat stelt mengvoedercoöperatie ABZ De Samenwerking op basis het gedurende twee/drie jaar volgen van zeugenhouders die deze techniek in hun stallen toepassen.

ABZ De Samenwerking heeft de Gen Massa Indextechniek (GMI) verder ontwikkeld. Via echografie kan bij zeugen het spek- en spierdikteverloop over de cycli heen worden gevolgd. Volgens de coöperatie blijkt in de praktijk en uit onderzoek dat traditionele voerschema’s, gebaseerd op het oog, gewicht en/of spekdikte, niet meer volstaan voor de bespierde zeug van tegenwoordig. Verder blijkt dat de nauwkeurigheid van deze metingen sterk te wensen over laat. Daarom is deze GMI-techniek ontwikkeld

Afbraak spierweefsel

Tijdens het toepassen van de GMI-techniek signaleren de onderzoekers vaak verrassende resultaten. Zo blijkt dat moderne zeugen aan het einde van de dracht al veel spierweefsel afbreken. Met behulp van de GMI-techniek in combinatie met een afgestemde voersamenstelling kunnen zeugen beter naar behoefte worden gevoerd. De voersamenstelling dient dusdanig te zijn dat het zorgt voor een uitgebalanceerde energie-, eiwit-, vitamine- en mineralenvoorziening voor elk type zeug en voor elke fase. Dit heeft vervolgens een positief effect op aspecten zoals bigoverleving, biestproductie, de vitaliteit van zeug en biggen. Maar vooral ook op de kwaliteit van de volgende worp. Volgens de coöperatie houdt de zeugenhouder meer biggen over.

Volgen zeugenbedrijven

Om de effecten in kaart te brengen volgden varkensspecialisten van ABZ De Samenwerking gedurende twee tot drie jaar enkele zeugenhouders op de voet. Ze brachten eerst de uitgangssituatie in beeld met behulp van de GMI-techniek en zetten daar de technische resultaten naast. Vervolgens gingen de varkensspecialisten samen met de varkenshouder aan de slag om voer en voerschema’s aan te passen om zo de zeugen beter naar behoefte te voeren.

Minder uitval

Op alle bedrijven ging de uitval omlaag, zowel het aantal doodgeboren als de uitval in de kraamstal. Dit ondanks grotere tomen. Daarnaast zagen ze de vruchtbaarheid van de zeugen verbeteren met minder verwerpers en terugkomers en zo een hoger afbigpercentage. Vooral de tweedeworps zeugen gingen beter presteren, doordat ze beter in conditie bleven tijdens hun eerste lactatieperiode. Uiteindelijk resulteerde dit in gemiddeld zo’n 2 gespeende biggen extra per zeug per jaar.

Extra voeren

Uit het volgen van de zeugen blijkt dat ze op sommige momenten in de cyclus extra kilo’s voer nodig hebben om ze in conditie te houden. Het gaat dan vooral om de spierlaag. Volgens de varkensspecialisten toont dit aan dat de juiste verhouding lysine (en andere aminozuren) per EW erg belangrijk is. Ondanks dat gaat het totale voerverbruik in de praktijk meestal niet omhoog, in tegendeel: doordat zeugen de juiste voedingsstoffen op het juiste moment kregen ging het totale voerverbruik juist omlaag. Het onderzoek en de praktijk wijzen uit dat via deze weg de duurzaamheid van de zeugen verbetert. Immers zeugen vallen minder af en hoeven minder te herstellen. Om meer zeugenhouders te laten profiteren van de opgedane kennis rondom de GMI-techniek investeert ABZ De Samenwerking in de opleiding van nieuwe GMI-specialisten.

Beeld: Susan Rexwinkel Agrio archief

Bron: ABZ De Samenwerking

Tags
VarkensFokkerijVoerNoord-Brabant