Sterke Erven Logo

Studie brengt meest zorgelijke onkruiden in kaart die aaltjes en bodemschimmels in stand houden

07 min
Klein kruiskruid in suikerbiet.
Klein kruiskruid in suikerbiet.
Zwarte nachtschade, melganzenvoet, klein kruiskruid, herderstasje, kaal knopkruid en akkerwinde. Dit zijn een aantal onkruidsoorten die zorgen baren als het gaat om het vermeerderen of in stand houden van plantenparasitaire aaltjes of plantpathogene bodemschimmels. Dat blijkt uit een literatuurstudie die in het kader van het project Akkerbouw op Zand 2.0 is gedaan. In totaal is van 24 onkruiden de waardplantstatus in kaart gebracht. „Deze informatie kan telers helpen om te bepalen of het slim is aanvullende maatregelen te nemen om de onkruiddruk naar beneden te krijgen”, zegt Rik Peters, toegepast onderzoeker Gewasgezondheid bij de afdeling Open Teelten van Wageningen Plant Research.

„Het voldoende onkruidvrij houden van gewassen zal in de toekomst een steeds grotere uitdaging worden. Het herbicidegebruik zal naar verwachting afnemen doordat het aantal toegelaten werkzame stoffen steeds meer wordt beperkt, maar ook door de toenemende maatschappelijke druk”, vertelt Rik Peters, die gespecialiseerd is in fytopathologie en nematologie. „We verwachten bijvoorbeeld dat we op termijn verschillende herbiciden gaan verliezen.”

Het idee voor de literatuurstudie ontstond naar aanleiding van de ervaringen in de hoofdproef van het project Integrated Crop Management voor de beheersing van ziekten, platen en onkruiden in akkerbouw op zandgronden (in het kort: Akkerbouw op Zand 2.0). „De doelstelling om het gebruik van pesticiden – waaronder met name bodemherbiciden die zijn aangemerkt als CfS (Candidates for substitution) – te verminderen en in combinatie met de toepassing van niet-kerende grondbewerking, resulteert in de proef in een toenemende onkruiddruk. Dat patroon zette zich door in de afgelopen jaren”, licht Peters toe. „We vroegen ons af of dit, naast dat het competitie is voor je gewas, ook risico’s oplevert met het oog op het vermeerderen of in stand houden van populaties plantenparasitaire aaltjes (PPN) en plantpathogene bodemschimmels (PPB).”

Hij bestudeerde hiervoor samen met collega’s 129 publicaties en de bevindingen die zij hebben opgedaan, zijn verwerkt in een waardplantschema. Het schema geeft in een oogopslag weer welke onkruiden welke pathogenen zouden kunnen vermeerderen en in welke mate en hoe betrouwbaar de bron(nen) is/zijn.

Zorgelijke onkruiden

Peters gaat in op een aantal onkruiden die uit de literatuurstudie als meest zorgelijk uit de bus kwamen. Zwarte nachtschade is er daar een van. „Het onkruid kan veel verschillende ziekten en plagen in de benen houden.”

Zwarte nachtschade is een potentieel matige waard voor het gele aardappelcysteaaltje (Globodera rostochiensis), een goede waard voor het maïswortelknobbelaaltje (M. chitwoodi) en het bedrieglijk maïswortelknobbelaaltje (M. fallax). Voor het noordelijk wortelknobbelaaltje (M. hapla) is zwarte nachtschade een potentieel goede waard, blijkt uit de literatuurstudie. Datzelfde geldt voor rhizoctonia van aardappel (R. solani AG 3). Als het gaat om het wortellesieaaltje (P. penetrans), is zwarte nachtschade een matige waard en voor verticillium (V. dahliae) een potentieel matige waard.

Ook melganzenvoet staat op de lijst. Melganzenvoet kent een brede reeks aan PPN en PPB waar het in enige mate een waard voor is. „Maar het grootste gevaar van melganzenvoet komt doordat het zowel een goede waard is voor het wortellesieaaltje áls de verwelkingsschimmel V. dahliae. Deze aaltje-schimmelcombinatie veroorzaakt het ‘Vroege afstervingscomplex’ in aardappel. Onderzoek heeft aangetoond dat het aaltje bepaalde stoffen via zijn speeksel uitscheidt waardoor de plant vatbaarder wordt voor Verticillium”, legt Peters uit.

Knopkruid

Hij haalt ook knopkruid aan. „Knopkruid is op het onderzoeksplatform een van de probleemsoorten, zeker ook in de fijnzadige gewassen.” De onderzoeker vermoedt dat dat waarschijnlijk te maken heeft met een verminderde grondbewerking. „Het is bekend dat knopkruid zich goed kan handhaven in systemen met NKG. De zaden kunnen gedurende het jaar snel kiemen en hebben een beperkte kiemrust. Als je regelmatig ploegt, werk je het zaad voldoende diep onder zodat het niet kiemt en draagt natuurlijke afsterving bij aan de beheersbaarheid van de onkruidzaadbank. Wanneer de zaden bovenin de bouwvoor blijven, vind bij een oppervlakkige grondbewerking gemakkelijk kieming plaats. Knopkruid is voor de kieming namelijk sterk afhankelijk van blootstelling aan licht.”

Wat betreft nematoden lijkt kaal knopkruid volgens sommige onderzoeken een respectievelijk matige en goede waard te zijn voor het noordelijk wortelknobbelaaltje en het maïswortelknobbelaaltje. „Er zaten wel flinke tegenstrijdigheden in de resultaten uit de literatuur”, benadrukt Peters. „Dat leek vooral te zitten in verschillen tussen kas- en veldproeven. In de kasproeven kwamen ze eruit als een slechte waard, maar in een veldproef met een natuurlijke besmetting juist als een goede waard.” Daarnaast heeft Peters zelf de ervaring in een praktijkproef opgedaan dat knopkruid een besmetting met rhizoctonia van aardappel lijkt te vermeerderen. „Dit moet echter nog experimenteel bevestigd worden. Daar doen we onderzoek naar met behulp van moleculaire technieken.”

Akkerwinde blijkt op basis van een aantal onderzoeken een goede waard te zijn voor het stengelaaltje (Ditylenchus dipsaci). „Het stengelaaltje heeft al een enorm brede waardplantreeks, en is erg schadelijk. Met akkerwinde op een perceel wordt het helemaal lastig om het aaltje onder controle te krijgen.”

Verticilliumschimmels

Van klein kruiskruid is bekend dat het besmet kan raken met de Fusarium die bolrot in uien veroorzaakt (Fusarium oxysporum f. sp. cepae). „Daarnaast blijkt dat klein kruiskruid, herderstasje en postelein de onkruiden zijn die veel vaker met Verticilliumschimmels geïnfecteerd raken dan andere onkruiden. Deze soorten raken ook vaak tot vrij hoog in de stengel geïnfecteerd. En hoe hoger het mycelium (netwerk van schimmeldraden, red.) in de stengel naar boven kruipt, hoe gevoeliger planten vaak zijn.” Volgens Peters wordt voor de vermeerdering van verwelkingsschimmels doorgaans aangenomen dat overal waar hyfen (schimmeldraden) worden gevormd, daar eveneens sporen ontwikkelen wanneer het weefsel van de plant afsterft. „Dus hoe verder de schimmel zich in de plant verspreidt, hoe meer sporen hij per plant kan aanmaken.”

Bietencysteaaltjes

Resultaten met betrekking tot witte en gele bietencysteaaltjes leverden volgens Peters een behoorlijk divers beeld op. „Het ging voornamelijk om Duits onderzoek waar we uit konden putten. Er leek daarin sprake te zijn van of een populatie-effect -populaties van verschillende locaties gedroegen zich op hetzelfde onkruid heel anders-, óf dat er verwarring is opgetreden tussen gele en witte bietencysteaaltjes.” Er is advies ingewonnen bij bieteninstituut IRS. „Het IRS vreest ook dat er wat verwarring is opgetreden tussen beide aaltjes.” Een onderscheiding is essentieel, aangezien het gele bietencysteaaltje een veel bredere waardplantreeks kent dan het witte bietencysteaaltje. „De betrouwbaarheid van deze onderzoeken is daarom als matig aangemerkt in het waardplantschema.”

Minst zorgelijk onkruiden

Op basis van de gegevens die nu voorhanden zijn, lijken de volgende onkruidsoorten het minst zorgelijk met het oog op bodempathogenen: gewoon varkensgras, perzikkruid, hanenpoot en kweek. Hierbij plaatsen de onderzoekers wel twee kanttekeningen: nog niet alle waardplantstatusinformatie is beschikbaar én deze onkruiden lijken een potentieel goede waard te zijn voor het graswortelknobbelaaltje (M. naasi). Mocht dit inderdaad worden bevestigd, vervalt dit lijstje in zijn geheel.

Genetische diversiteit onkruiden

Peters merkt op dat onkruiden genetisch veel diverser zijn dan onze gewassen. „Er zijn geen rassenlijsten van onkruiden. Voor onkruiden is sprake van ecotypen, waarbij de populatie van dezelfde soort zich genetisch heeft aangepast aan lokale omstandigheden, zodat ze beter overleven op die plek. Dat betekent overigens niet dat ze genetisch geheel anders zijn als waardplant voor bepaalde ziekten en plagen. Je weet gewoonweg niet hoe groot de diversiteit is.”

Regionale verschillen spelen ook een grote rol. „Welke onkruiden in welke situatie de meeste problemen veroorzaken, heeft sterk te maken met regionale verschillen: welke problemenonkruiden zijn daar al?” Hij geeft als voorbeeld een proeflocatie in Zuid-Limburg: „Daar is het soms wat natter en hebben ze op sommige plekken veel last van veenwortel. Maar als je Nederland als geheel bekijkt, is veenwortel niet zo’n groot probleem.”

Het schema is volgens de onderzoeker vooral bedoeld als hulpmiddel. „Moet ik wel of geen extra maatregelen nemen om de onkruidzaadbank uit te putten en daarmee het risico op bepaalde pathogenen te verminderen? Denk aan inunderen of na de oogst een extra vals zaaibed aanleggen. Heb je uien in je bouwplan en veel last van klein kruiskruid? Daar gaat een extra risico op vermeerdering van Fusarium van uit. Over twee jaar weer aardappel in je bouwplan en veel problemen met zwarte nachtschade? Dan is het met name voor de wortelknobbelaaltjes verstandig extra aandacht te geven aan de onkruidbestrijding.”

Lees hier het volledige rapport: ‘De waardplantstatus van onkruiden voor plantenparasitaire aaltjes en plantpathogene bodemschimmels. Een overzicht van de waardplantstatus informatie van onkruiden op basis van wetenschappelijke literatuur.’

Tekst:

Beeld: Agrio

Tags
AkkerbouwTopgewasBodemaaltjesFusariumICMOnkruidOnkruiden