Omgevingsvisie Gelderland: Helft grondgebied blijft agrarisch

‘We willen de Gelderse land- en tuinbouw toekomstbestendig maken’, stelt de provincie in het document. ‘We willen dat de ontwikkeling van de land- en tuinbouw past bij de Gelderse waarden. Land- en tuinbouw moet bijdragen aan een vitaal landelijk gebied, met duurzaam beheerde landbouwbodems, voldoende voedselzekerheid in de Europese Unie, een goed verdienvermogen op het bedrijf en een sterke positie van Gelderland als foodprovincie.’
Landbouw- en verwevingsgebieden
Om dat te bereiken maakt de provincie onderscheid tussen gebieden waar landbouw een hoofdfunctie heeft, en gebieden waar de landbouw verweven is met andere functies, zoals natuur, economie en wonen. Die eerste gebieden zijn aaneengesloten landbouwgebieden met weinig dorpen of woonkernen. Daar wil de provincie landbouwgrond primair voor de landbouw behouden, en terughoudend zijn met functies die daar niet aan bijdragen.
In de verwevingsgebieden zal de provincie, samen met gemeenten en regio’s, eerder kijken naar hoe landbouw samen kan gaan met die andere functies. Rondom steden wil Gelderland bijvoorbeeld uitloopgebieden en landschapsparken, waar agrarische activiteiten samen moeten gaan met natuur en recreatiemogelijkheden. Rondom natuurgebieden stelt Gelderland randvoorwaarden aan landbouw en andere functies: die activiteiten moeten daar werken aan waterkwaliteit en vermindering van uitstoot.
Water langer vasthouden
In de omgevingsvisie wil Gelderland ook sturen op de waterhuishouding, onder meer om zo te anticiperen op perioden van droogte. ‘Het is noodzakelijk water zolang mogelijk vast te houden en laagwaterstanden zo hoog mogelijk te houden’, schrijft de provincie. Als hiermee te lang wordt gewacht, stelt ze, ontstaat er meer schade aan natuur, landbouwopbrengsten, steden en dorpen.
In de wintermaanden wil de provincie gemiddeld 100 millimeter water extra vasthouden op de hogere zandgronden. Afhankelijk van het gebied kan dat leiden tot grondwaterstanden die 10 tot 50 centimeter hoger zijn. Water moet geleidelijker worden afgevoerd, en dat betekent dat beken en sloten heringericht moeten worden; ze zullen ondieper gemaakt worden, meer meanderen, en ook vaker overstromen.
Veehouderij aan banden
Het moet ertoe leiden dat de landbouw over 25 jaar veranderd is. Boeren hebben hun bedrijfsvoering dan afgestemd op wat passend is voor natuur, water en bodem. De veestapel zal met 30 procent gekrompen zijn. Rondom Natura 2000-gebieden, bij beken, grondwaterbeschermingsgebieden en woonkernen zullen minder intensieve veehouderijbedrijven zijn, en de bedrijven die er zijn hebben hun emissies van stikstof, geur en fijnstof flink gereduceerd. In nu nog veedichte gebieden als Ede en Barneveld wordt minder vee gehouden, wat het risico op vogelgriep moet verlagen.
Veehouderijlocaties krijgen een maximale omvang. De provincie wil af van het automatisme dat bedrijven een jaarlijkse groei nodig hebben om de toenemende kosten te kunnen blijven dekken. Boeren zullen dan op een andere manier waarde moeten creëren op hun bedrijf.
Steun voor landbouwtransitie
De provincie realiseert zich dat, als ze een meer duurzame en economisch levensvatbare landbouw mogelijk wil maken, ze ook zelf aan de bak zal moeten. Daarom stelt ze een aantal beleidsmaatregelen voor, zoals subsidies voor vrijwillige kavelruil en steun voor herplaatsing naar andere bedrijfslocaties met meer ontwikkelruimte. Ze wil bedrijven stimuleren om hun uitstoot te reduceren, om te investeren in dierenwelzijn, en voor voer-mestovereenkomsten. Verder wil de provincie mestverwaardingsprojecten stimuleren en veevoerproducenten helpen meer in te zetten op het gebruik van reststromen uit de regio.
Wim van Gruisen
Zoon van een Zuid-Limburgse pluimveehouder met eigen slachterij, geschoold als econoom. Sinds 2011 in dienst van Agrio, waar hij artikelen schrijft voor de regio- en vakbladen en de Agrio-websites. Zijn focus lag aanvankelijk op landbouweconomie, tegenwoordig vooral op de Haagse en Brusselse politiek.
Beeld: Agrio

