POV wil snel in gesprek met Silvio Erkens over Dierwaardige Veehouderij

De totstandkoming van de AMvB was volgens POV een buitengewoon intensief proces. De belangenbehartiger heeft continu benadrukt dat de algemene maatregel van bestuur moet samenhangen met het Convenant dierwaardige veehouderij. Alleen dan is het mogelijk om haalbare stappen te zetten. POV zegt dat ze keer op keer onderstreept dat zeer ambitieuze politieke wetgeving niet leidt tot een meerwaarde in de markt, maar tot ondernemers die aan het onmogelijke worden gehouden.
Complexe wetgeving
POV schrift: ‘We hebben hier te maken met complexe wetgeving met grote impact voor de varkenshouderij. Deze AMvB is aangegrepen om een aantal dossiers wettelijk in te vullen, zoals luchtkwaliteit stal, staarten couperen, kraamboxen. POV blijft zich inzetten richting politiek voor werkbare en haalbare regelgeving, met aandacht voor vergunningverlening, economische haalbaarheid, gelijk Europees speelveld en voldoende ruimte voor innovatie.’
Tussentijdse evaluatiemomenten
In de AMvB staan de maatregelen die het ministerie van plan is in te voeren in 2028, 2030 en 2040. Er zijn enkele tussentijdse evaluatiemomenten ingebouwd, voor onder meer het verbod op couperen (evaluatiemoment 2028) en de maatregelen vanaf 2040. Voor maatregelen die grote investeringen vragen, kiest de staatssecretaris voor overgangsrecht. Hierdoor worden maatregelen gekoppeld aan nieuw- of verbouw (natuurlijk investeringsritme).
Autoriteit Dierwaardige Veehouderij
De nieuwe Autoriteit Dierwaardige Veehouderij krijgt volgens POV een belangrijke rol bij het beoordelen of een maatregel door kan gaan en aan de randvoorwaarden wordt voldaan. Afspraken over deze randvoorwaarden zijn vastgelegd in het Convenant dierwaardige veehouderij.
POV heeft de belangrijkste wijzigingen voor de varkenshouderij op een rij gezet
Vanaf 2028 worden onder andere de volgende maatregelen van kracht:
• Verplichting voor een bedrijfsspecifiek klimaatadaptatie- of hitteprotocol zoals hier opgesteld.
• Een schuurvoorziening in ieder hok (met uitzondering van dekstallen en kraamboxen).
• Een maximale CO₂-concentratie van 3.000 ppm in de stal.
• Ruwvoer voor drachtige gelten en zeugen; dit sluit aan op de eisen voor hokverrijking.
• Drinkwater voor biggen vanaf één week leeftijd (dat is nu vanaf veertien dagen).
• Biggen vanaf één week leeftijd voer aanbieden in de nabijheid van de zeug (zien eten doet eten).
• Gedeeltelijk dichte vloer (‘wroetplaat’) voor verstrekken van hokverrijking voor 25 procent van de biggen.
• Minimum speenleeftijd van 25 dagen.
• Voorwaarden rondom het vijlen van hoektanden uitsluitend bij diergeneeskundige noodzaak.
• Uitfasering van het couperen van staarten: couperen alleen toegestaan wanneer 2 procent van de gespeende biggen of biggen in de kraamstal staartschade heeft. Twee keer per jaar moet er een risicoanalyse worden gemaakt, een verbeterplan worden opgesteld en een logboek worden bijgehouden. Vanaf 2029 mogen staarten niet korter dan 5 centimeter worden gecoupeerd. In 2028 wordt er geëvalueerd of er per 2030 een geheel verbod op routinematig couperen ingaat. Bij deze evaluatie wordt er gekeken naar transport- en slachtwaardigheid en marktvergoeding.
Vanaf 2030 geldt bij nieuwbouw of verbouw:
• Daglichttoetreding.
• Voorkomen van concurrentie om voer- en drinkwaterplaatsen.
• Maximale ammoniakconcentratie van 20 ppm.
• Vrijloopkraamhokken (6,5 vierkante meter), waarbij vijf dagen fixatie van de zeug mogelijk blijft ter voorkoming van doodliggen.
• Functiegebieden (na evaluatie in 2028).
• Deels dichte vloer voor gespeende biggen (40 procent van het oppervlak).
Vanaf 2040 na evaluatie:
Voor maatregelen van 2040 vindt eerst evaluatie moment plaats en wordt onderzocht wat de gevolgen zijn voor uitvoerbaarheid, economische effecten, verdienmodel, emissies en vergunningverlening (randvoorwaarden). Hier speelt de autoriteit een belangrijke rol. Pas na de evaluatie wordt gekeken of deze maatregelen door kunnen gaan in 2040. Dit geldt onder meer voor:
• Functiegebieden voor bestaande stallen.
• Extra ruimte voor vleesvarkens (0,9 vierkante meter per dier).
• Vrijloopkraamhokken voor alle bestaande kraamstallen.
• Verhoging van de speenleeftijd naar minimaal 28 dagen.
• Deels dichte vloer (40 procent van het oppervlak) voor alle bestaande gespeendebiggenafdelingen.
• Daglichttoetreding voor bestaande stallen.
Reinout Burgers
Al bijna 25 jaar volg en schrijf ik als journalist onder meer over de varkenshouderij en pluimveehouderij. Twee uiterst boeiende en dynamische sectoren met veel gepassioneerde ondernemers.
Beeld: Natasja Beverloo

