Opiniestuk Ton Terlouw
'NUE is geen duurzaamheidsbewijs. Europa, leg deze fout niet voor jaren vast'

Ton Terlouw heeft zich het afgelopen half jaar beziggehouden met bemestingsadviezen voor de akkerbouw. Dit doet hij vanuit een onafhankelijke positie als gepensioneerd R&D-manager met jarenlange ervaring op het gebied van bodemvruchtbaarheid, plantenvoeding en plantweerbaarheid. In zijn overtuiging valt er zowel economisch als milieutechnisch veel winst te halen door het combineren van minerale en organische voedingsbronnen, om zo tot een veel efficiëntere benutting van beide te komen. In zijn onderzoek stuitten hij op de term Nitrogen Use Efficiency (NUE). Hoewel deze indicator in wetenschappelijke kring duidelijk is ingekaderd, krijgt die een steeds belangrijkere plaats in beleidsontwikkeling en de beoordeling van duurzaamheid. En daar ziet Ton Terlouw een groot gevaar ontstaan.
Een plant die in het voorjaar aan zijn eerste groei begint, vraagt niet hoeveel stikstof de boer per hectare heeft gestrooid. Hij moet water vinden, wortels vormen en precies op tijd de nutriënten opnemen die daarvoor nodig zijn. Een jonge plant leeft in een wereld waarin een tekort op de verkeerde plaats en het verkeerde moment zijn verdere ontwikkeling kan bepalen. Dat zie je aan het gewas. Daar heb ik een groot deel van mijn werkzame leven aan besteed.
En dan zie ik hoe Europa overweegt om de duurzaamheid van diezelfde landbouw mede op te hangen aan één getal: Nitrogen Use Efficiency, kortweg NUE. Dat is de verhouding tussen stikstof die als product wordt afgevoerd en stikstof die een bedrijf binnenkomt. Een bruikbaar rekencijfer voor één vraag. Alleen wordt er nu een antwoord over duurzaamheid aan verbonden dat er helemaal niet in besloten ligt.
Fertilizers Europe vraagt in april 2026 openlijk om NUE op te nemen in de Europese On-Farm Sustainability Compass. De definitieve indicatoren zijn nog niet vastgesteld. Precies daarom maak ik me nu druk. Want als zo’n beperkt getal eenmaal als beleidsanker is vastgelegd, zitten we er jarenlang aan vast. De werkelijkheid moet er daarna met uitzonderingen en correcties omheen worden gebouwd. [1, 2]
We hebben dit eerder gedaan: van opbrengstproef naar norm
Laten we eens teruggaan naar het moment waarop de Nederlandse stikstofadviezen vorm kregen. De vraag was heel begrijpelijk: hoeveel extra kunstmest levert nog voldoende extra oogst op om de kosten te betalen? Een proefveld kreeg oplopende giften. De opbrengst werd gemeten. Vervolgens koos je het punt waarop de laatste kilo stikstof financieel nog aantrekkelijk was. Zo ontstond de economisch optimale gift.
Die keuze was gemaakt voor de portemonnee van de boer, binnen de toenmalige kennis en prijzen. De gevolgen van stikstof die onderweg naar het grondwater of de lucht verdwijnt, zaten daar niet als zelfstandige kostenpost in. Wie zo’n economisch optimum jaren later leest als ecologisch verantwoord optimum, heeft de betekenis van de berekening veranderd.
Een mooi gedocumenteerd voorbeeld vind ik bij consumptieaardappelen. De Nederlandse richtlijn steunde op 77 proeven uit 1973–1982. In 1985 ging de adviesgift met 15 kilogram stikstof per hectare omhoog om het financiële risico van onderbemesting te verkleinen. Dat staat beschreven in onderzoek van NMI en Wageningen. Dit is een heel begrijpelijke economische afweging. De milieugrens was er niet mee vastgesteld. [3]
Kalkammonsalpeter, KAS, werd vervolgens de referentie voor de Nederlandse N-richtlijnen. Wie een andere stikstofmeststof op werking wil vergelijken, krijgt vaak KAS op 100 procent gezet. Een relatieve werking van 100 procent betekent uiteraard geenszins dat de plant alle stikstof uit die meststof opneemt. Toch zien zulke getallen er al snel definitiever uit dan ze zijn. [4, 5]
De kunstmestindustrie was in deze geschiedenis nauw betrokken bij onderzoek en kennisverspreiding. Al in 1949 verschenen KAS-proeven op grasland. Het Landbouwkundig Bureau van de meststoffenindustrie werkte jarenlang binnen de kennisstructuur rond het Instituut voor Bodemvruchtbaarheid. In 1984 ontstond daaruit het NMI met een verbrede kring van producenten en distributeurs. Die verwevenheid verdient aandacht wanneer we willen begrijpen welke vragen decennialang centraal stonden. [6, 7]
Hoe deze meetlat ontstond
1949 — Mulder publiceert KAS-proeven op grasland. [6]
1973–1985 — Opbrengstproeven vormen adviezen; aardappelrichtlijn in 1985 met 15 kg N/ha verhoogd wegens financieel risico. [3]
1984 — Herstructurering van het Landbouwkundig Bureau tot Nederlands Meststoffen Instituut (NMI). [7]
1998–2006 — MINAS maakt plaats voor een gebruiksnormenstelsel. Een stikstofoverschot en een NUE-percentage blijven verschillende grootheden. [8]
2014–2015 — Fertilizers Europe initieert het EU Nitrogen Expert Panel. Het panel publiceert zijn NUE-systematiek. [9, 10]
2026 — Fertilizers Europe vraagt NUE op te nemen in de Europese duurzaamheidsbenchmark. [1]
Een plant rekent anders dan een boekhouder
Kijk eens naar wat er in de bodem gebeurt. Een plant kan stikstof opnemen als ammonium (NH₄) of als nitraat (NO₃). Bij opname van ammonium ontstaat doorgaans verzuring in de directe rhizosfeer; bij nitraatopname verloopt de pH-reactie andersom. Dat beïnvloedt plaatselijk welke andere nutriënten beschikbaar worden. De pH die we in een gemengd bodemmonster meten, vertelt daarmee nog lang niet wat de wortel op dat moment ervaart.
Daar komt de tijd bij. Een gewas bouwt in zijn eerste ontwikkeling wortels en jonge weefsels op. Fosfaat, calcium en sporenelementen zijn nodig op het moment dat nieuwe cellen ontstaan. Later verschuift de behoefte tijdens verdere groei. De stikstofvorm en de opnameomgeving sturen mee. De totale stikstofgift zegt daar opvallend weinig over.
En wat doet de bodem zelf? Een vanggewas onderschept stikstof na de oogst. Organisch materiaal voedt de microbiologie. Stikstof kan tijdelijk worden vastgelegd en pas in een volgend teeltjaar beschikbaar komen. In een jaarlijkse NUE-berekening kan die voorraadopbouw eruitzien als een slechter resultaat. De boer die op bodemvruchtbaarheid investeert, kan zo een lager percentage krijgen dan iemand die zijn bodemvoorraad aanspreekt. [10]
Dezelfde bedrijven, drie NUE-uitkomsten
NUE1 — Gangbare bedrijfsbalans: afgevoerde dierlijke mest telt mee als nuttige stikstofoutput.
NUE2 — Afgevoerde dierlijke mest wordt als negatieve stikstofinput verwerkt.
NUE3 — Als NUE2, met de stikstofverliezen van extern geteeld aangekocht veevoer meegenomen.
Voor Nederlandse derogatiemelkveebedrijven over 2006–2016 zijn de medianen 43%, 34% en 21%. De bedrijven veranderden niet; alleen de systeemgrens van de berekening veranderde. [12]
De wetenschappelijke waarschuwing ligt al jaren op tafel
Het opmerkelijke is dat de wetenschap deze beperkingen zelf uitvoerig heeft beschreven. Het EU Nitrogen Expert Panel erkende in 2015 dat veranderingen in bodemvoorraden de interpretatie van NUE beïnvloeden. Het stelde daarom voor het percentage naast productie en N-overschot te beoordelen. De beperkingen stonden dus al in het rapport dat de indicator introduceerde. [10]
Godinot en collega’s gingen in 2016 een stap verder. Zij rekenden voor 27 Europese landen met bredere systeemindicatoren, waarin ook de stikstofkosten buiten de boerderij en veranderingen in de bodemvoorraad worden meegenomen. De gemiddelde NUE en de bredere systeemefficiëntie vielen daardoor fors uiteen. De wetenschappelijke alternatieven liggen al tien jaar op tafel. [11]
Ook in Nederlandse cijfers zie je hoe sterk de gekozen systeemgrens het resultaat beïnvloedt. Kijk alleen al naar de drie percentages in het kader hierboven. Welk van de drie mag straks pronken op de duurzaamheidsmeetlat? En wie krijgt de rekening voor de stikstofverliezen die we buiten die grens houden?
Wetenschappelijke tegengeluiden
EU Nitrogen Expert Panel (2015) — Het panel waarschuwt zelf voor vertekening door wijzigingen in bodem-N-voorraden. NUE moet samen met productie en N-overschot worden bekeken. [10]
Godinot e.a. (2016) — Nationale vergelijking met SyNE, SyNB en RNE brengt verliezen buiten de bedrijfsgrens en bodemvoorraadveranderingen in beeld. De uitkomsten wijken wezenlijk af van gangbare NUE. [11]
CLO / Quemada e.a. (2020) — Een uitgebreidere systeemgrens verandert de gemeten stikstofefficiëntie van melkveehouderijen fors. Ook ingevoerd veevoer en de bijbehorende verliezen tellen mee. [12]
Deze bevindingen tonen dat de keuze van de systeemgrens bepalend is. Geen van deze bronnen levert steun voor NUE als zelfstandige maat voor totale milieubelasting.
Wageningen hielp deze meetlat gezag geven
Hoe is een getal voor stikstofbenutting zo dicht bij een Europese duurzaamheidsmeetlat gekomen? Daarvoor moeten we terug naar 2014. Fertilizers Europe, de Europese belangenorganisatie van kunstmestproducenten, nam toen het initiatief voor het EU Nitrogen Expert Panel. Wetenschappers, beleidsmakers en vertegenwoordigers van de industrie gingen gezamenlijk aan de slag met een breed toepasbare NUE-indicator. [9]
De Wageningse hoogleraar Oene Oenema werd voorzitter. Het secretariaat kwam bij Wageningen University, Alterra. Fertilizers Europe financierde de bijeenkomsten van het panel. Op 9 december 2014 werd het initiatief al gepresenteerd in het Europees Parlement. Daar werd zelfs besproken dat zo’n indicator bruikbaar kon zijn om de werking van Europees landbouwbeleid te beoordelen. Dat was dus vanaf het begin meer dan een vrijblijvende wetenschappelijke exercitie. [10, 14]
In 2015 verscheen het rapport met het Europese indicatorenkader. In november 2016 volgde een handleiding voor toepassing op bedrijfsniveau. NUE als wetenschappelijk begrip bestond al veel langer. Wageningen hielp deze specifieke systematiek wetenschappelijke autoriteit en een praktische route naar de beleidswereld te geven. [10, 15]
En nu komt het opmerkelijke. Hetzelfde panel waarschuwde in zijn oorspronkelijke rapport dat NUE alleen betekenisvol kan worden beoordeeld naast productiviteit, stikstofoverschot en veranderingen in de bodemvoorraad. Die beperkingen waren dus bekend bij de mensen die de indicator uitwerkten. Waarom zouden we dan jaren later juist dat percentage als bewijs voor duurzaamheid gaan behandelen? [10]
Daar ligt naar mijn overtuiging ook een verantwoordelijkheid voor Wageningen. Een kennisinstelling die zo’n belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de ontwikkeling en verspreiding van een indicator, zou voorop moeten lopen bij het kritisch beoordelen van de latere toepassing ervan.
Maar hoe gemakkelijk is dat wanneer er jarenlang onderzoek op is gebouwd, landbouwadviezen ermee zijn onderbouwd en bestuurders hun beleidskeuzes eraan hebben verbonden? Dan komt bij een fundamentele herbeoordeling veel meer ter discussie te staan dan een wetenschappelijke formule. Onderzoeksprogramma’s en professionele reputaties kunnen een eigen belang krijgen bij het voortbestaan van bestaande uitgangspunten.
Ik kan geen bewuste afstemming tussen instellingen en belangenorganisaties aantonen. Toch vind ik het belangrijk de vraag te stellen of zulke gevestigde belangen elkaar versterken en daardoor nieuwe wetenschappelijke inzichten minder ruimte geven. De mogelijkheid van institutionele weerstand verdient onderzoek. Zeker wanneer een hulpmiddel voor stikstofboekhouding dreigt uit te groeien tot een maatstaf voor duurzaamheid.
Wat mij daarin het meest stoort, is hoe gemakkelijk de oorspronkelijke vraag uit beeld verdwijnt: wat doet de plant met de gegeven stikstof en hoeveel daarvan gaat uiteindelijk verloren?
De kunstmestindustrie is open over haar belang
Fertilizers Europe heeft de lobby gelukkig gewoon op papier gezet. De organisatie nam in 2014 het initiatief tot het EU Nitrogen Expert Panel en vraagt nu expliciet om opname van NUE in de nieuwe duurzaamheidsbenchmark. Tegelijkertijd bepleit zij steun voor precisiebemesting, nitrificatieremmers en andere verbeterde meststoffen. Dat is legitieme belangenbehartiging. Maar het zou wel heel bijzonder zijn wanneer we de beoordeling van duurzaamheid laten draaien om een maat waarop het aanbod van de leverancier uitstekend kan scoren. [1, 9]
Daar zit voor mij het gevaar. De definitie van een duurzaamheidsindicator bepaalt later welke investeringen worden beloond, welke innovaties onderzoeksprioriteit krijgen en waarop boeren worden afgerekend. Een eenmaal vastgelegd anker gaat een eigen leven leiden. Het krijgt handleidingen, uitzonderingsregels en bijgestelde grenswaarden. Hoe langer het bestaat, hoe moeilijker het wordt om de grondslag zelf nog ter discussie te stellen.
De Commissie onderzoekt op dit moment hoe haar On-Farm Sustainability Compass moet worden vormgegeven. In september 2026 zijn daarvoor 211 bestaande systemen in kaart gebracht. De keuzes zijn dus nog open. Dan is dit het moment om de grondslag goed te krijgen. [2]
Wat een kale NUE-score onzichtbaar laat
BODEM — Opbouw of afbraak van organisch gebonden stikstof, mineralisatie en nalevering over meerdere jaren.
WATER — Hoeveel nitraat werkelijk uitspoelt of afspoelt en waar dat terechtkomt.
LUCHT — Ammoniak- en lachgasemissies, plus de emissies bij productie van gebruikte inputs.
RHIZOSFEER — Verblijfsduur van NH₄ en NO₃, lokale pH, beschikbaarheid van andere nutriënten en effecten op wortelgroei.
GEWAS — De timing van opname en de uiteindelijke productkwaliteit.
Een hoge NUE kan gunstig zijn. De verhouding alleen bewijst geen lage emissies en geen behoud van bodemvruchtbaarheid. [10, 11]
Leg vast wat we werkelijk willen beschermen
De Europese Commissie heeft in haar Farm to Fork-strategie zelf het doel geformuleerd: de nutriëntenverliezen met minstens 50 procent terugbrengen, terwijl de bodemvruchtbaarheid behouden blijft. Dan moet je de verliezen kennen en tegelijk weten wat er met de bodemvoorraad gebeurt. Een kale NUE kan geen van beide betrouwbaar vaststellen. [13]
Ik wil dat een boer in één begrijpelijke stikstofverantwoording kan laten zien wat zijn land binnenkomt, wat het gewas afvoert, welke voorraden veranderen en welke stikstof uiteindelijk het milieu belast. Voor de teelt moet de opnameomgeving meetellen, want dáár beslist de plant wat hij met de aangeboden voeding kan. Het gaat om echte verliezen en om de vruchtbaarheid van het land dat we doorgeven.
De berekening mag best een NUE-percentage opleveren. Dan weten we hoeveel product uit de aanvoer kwam. Maak daar geen zelfstandige duurzaamheidsprijs van. Daarvoor is de werkelijkheid te ingewikkeld, en de geschiedenis van de landbouw te vol van normen die een ander doel dienden dan waarvoor ze later werden gebruikt.
Wie nu een te smalle maat voor jaren vastlegt, kiest er bewust voor om de werkelijke milieuverliezen weer achter een rekenkundig gemiddelde te laten verdwijnen. Ik vind dat onaanvaardbaar. Juist omdat de kennis om het beter te doen al zo lang beschikbaar is.
Bronnen
[1] Fertilizers Europe (17 april 2026), Fertilizer Action Plan, position paper, onderdeel 8b. Bron bekijken
[2] Europese Commissie / EIB (28 september 2026), Analysis of EU farm-level sustainability and certification schemes. Bron bekijken
[3] Postma, R., Van Geel, W. en De Haan, J. (2018), Ontwikkeling nieuwe systematiek voor opstellen N-bemestingsrichtlijnen. Bron bekijken
[4] CBAV, Handboek Bodem en Bemesting, Uitleg en interpretatie van de N-bemestingsrichtlijnen. Bron bekijken
[5] NMI (2016), Landbouwkundige waarde van (on)bewerkte pluimveemest, par. 2.3. Bron bekijken
[6] Mulder, E.G. (1949), Onderzoekingen over de stikstofvoeding van landbouwgewassen. Bron bekijken
[7] Instituut voor Bodemvruchtbaarheid (1984), Jaarverslag 1984, onderdeel Samenwerking. Bron bekijken
[8] CBS (2012), Mineralen in de landbouw 1970–2011 en MINAS en Mestbeleid 2006. Bron bekijken
[9] Fertilizers Europe (2014), EU Nitrogen Expert Panel: initiatief in 2014. Bron bekijken
[10] EU Nitrogen Expert Panel (2015), Nitrogen Use Efficiency, rapport. Bron bekijken
[11] Godinot, O., Leterme, P., Vertès, F. en Carof, M. (2016), Ecological Indicators 66, 612–622. Bron bekijken
[12] Compendium voor de Leefomgeving (2023), Stikstof-efficiëntie van de Nederlandse landbouw, 1990–2020. Bron bekijken
[13] Europese Commissie (2020), Farm to Fork Strategy, COM(2020) 381. Bron bekijken
[14] Fertilizers Europe (10 december 2014), EU Nitrogen Expert Panel presented to the European Parliament. Bron bekijken
[15] EU Nitrogen Expert Panel (november 2016), Nitrogen Use Efficiency, Guidance Document for assessing NUE at farm level. Bron bekijken
Tekst: Ton Terlouw
Beeld: Ruth van Schriek Agrio Archief



