Kamer hoort: voedselzekerheid begint met meer plantaardig dieet

Het onderwerp voedselzekerheid zou moeten worden bekeken op EU-niveau, vond Petra Berkhout, senior onderzoeker bij Wageningen Economic Research. Nederland is een relatief klein land en ons voedselsysteem is sterk verweven met dat van de rest van de Europese Unie.
Stabiliteit is een belangrijk onderdeel van voedselzekerheid. Het Nederlandse, en Europese, voedselsysteem heeft wat dat betreft een aantal zwakheden. Het is van het buitenland afhankelijk voor de invoer van energie, van meststoffen en van veevoer. De afgelopen jaren hebben dat volgens haar laten zien; schokken op internationale markten hebben telkens geleid tot stijgende voedselprijzen.
Die afhankelijkheden zouden daarom moeten worden afgebouwd, zei Berkhout, en daarvoor is het nodig dat Europa meer zelfvoorzienend wordt op energiegebied, dat het meer inzet op de terugwinning van meststoffen, maar ook dat Europeanen overschakelen op een meer plantaardig dieet, om minder afhankelijk te worden van de import van voer.
Stabiele toekomst
Voedselzekerheid betekent ook dat Nederland, en Europa, in de toekomst in staat zal blijven om haar bevolking te voeden, stelde Imke de Boer, hoogleraar duurzame voedselsystemen aan de WUR. En dat vraagt om een voedselsysteem dat past binnen planetaire grenzen. Het huidige systeem doet dat niet, volgens haar. Daarom pleitte ook zij voor een systeem met meer plantaardige en minder dierlijke producten, en met een meer grondgebonden, regionale veehouderij.
Bodemgebonden en gebouwgebonden landbouw
Jannemarie de Jonge, voormalig Rijksadviseur Fysieke Leefomgeving, keek vooral naar hoe Nederland beter ingedeeld kon worden. Zij argumenteerde dat Nederland weer toe zou moeten naar een structuurbeleid, waarbij gekeken wordt welke plekken geschikt zijn voor welke soort landbouw. Daarbij onderscheidde ze twee categorieën; grondgebonden landbouw („maar ik spreek liever van bodemgebonden landbouw, want het draait om de bodem“) en gebouwgebonden landbouw, waar de intensive veehouderij en de glastuinbouw onder vallen. De twee soorten hadden verschillende ruimtelijke behoeften, stelde ze. En bodemgebonden landbouw biedt de maatschappij volgens haar meer dan enkel voedsel; het zorgt onder meer ook voor een gezonde bodem, CO2-opslag in de bodem, waterberging, een aantrekkelijk landschap.
‘Zonder planten geen voedsel’
Joran Lammers, onderzoeker landschappelijke transities aan de Universiteit Leiden, stelde dat planten onontbeerlijk zijn voor voedsel. „Zonder planten is er geen voedsel“, zei hij. En voor planten is een gezonde bodem noodzakelijk. Hij pleitte ervoor om daarop in te zetten. Maar ook hij zag mogelijkheden voor een dieet met minder vlees. Als Nederland over zou gaan naar een 100 procent plantaardig en 100 procent gezond dieet, stelde hij, zou er per persoon minder dan de helft van het landbouwareaal nodig zijn dan wat nu het geval is. Hij haastte zich om daarbij te vermelden dat hij zo’n rigoureuze stap niet voorstelde, maar dat hij het als voorbeeld wilde noemen om te schetsen wat er mogelijk was.
Nederland landbouwland
Lammers vermeldde daarbij dat Nederland een goed land is om voedsel te verbouwen. Ons land heeft vruchtbare kleigronden, een aanvoer van zoet water, een gunstig klimaat en ligt aan belangrijke handelsroutes. Berkhout beaamde dat. Ook als Europa naar een meer plantaardig dieet toe beweegt, zal Nederland nog steeds meer dieren hebben dan andere landen, stelde ze. Maar wel minder dan nu het geval is. Zij benadrukte dat naast de voordelen die Lammers noemde, Nederland ook een hoog kennisniveau en innovatief vermogen heeft. Dat zal nodig zijn om de transitie mee te maken, stelde ze. „Ik hoop dat we dat innovatieve vermogen blijven behouden.“
Transitie is moeilijk
Maar de transitie naar een meer plantaardig voedselsysteem zal moeilijk zijn, beaamden alle sprekers. En het zal een zaak zijn van lange termijn. „Je moet stevig inzetten op de verandering van consumptie, op Europees niveau“, zei Berkhout. „En dat is ontzettend moeilijk.“
Volgens De Boer moet de overheid daarbij ook voorwaarden scheppen die het veehouders mogelijk maken om over te schakelen op plantaardige productie, of in ieder geval om meer in balans met de omgeving te produceren. Daar hoort in ieder geval bij dat die boeren een stabiele afzetmarkt voor hun producten hebben.
De Jonge benadrukte nog dat bodemgebonden landbouw de samenleving een meerwaarde biedt. Daarvoor zou structureel publiek geld beschikbaar moeten zijn, zei ze, en dat geeft die boeren ook een extra inkomensbron.
Wim van Gruisen
Zoon van een Zuid-Limburgse pluimveehouder met eigen slachterij, geschoold als econoom. Sinds 2011 in dienst van Agrio, waar hij artikelen schrijft voor de regio- en vakbladen en de Agrio-websites. Zijn focus lag aanvankelijk op landbouweconomie, tegenwoordig vooral op de Haagse en Brusselse politiek.
Beeld: Susan Rexwinkel


