Klimaat en de rekenregels
Doelsturing in de akkerbouw – KPI 5: Broeikasgassen

Als het over klimaat gaat, denken veel akkerbouwers waarschijnlijk niet direct aan hun eigen bedrijf. De akkerbouw legt toch CO₂ vast, dus wat is het probleem? Toch krijgt ook de akkerbouw met klimaatdoelen te maken. Misschien nog niet vanuit de overheid, maar vooral vanuit afnemers, financiers en ketenpartijen. KPI 5 brengt de uitstoot van methaan, lachgas en koolstofdioxide samen in één kengetal: kg CO₂-equivalenten per hectare. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar emissies op het bedrijf, maar ook naar emissies die samenhangen met aangekochte productiemiddelen zoals kunstmest en diesel. Al snel komt de vraag: wat telt mee, en wat niet? Hoe zit het met de vastlegging van CO₂? En wie bepaalt dat?
Unilever aan de basis
Nu gonst het woord 'Cool Farm Tool' al enkele jaren rond in de akkerbouwsector. Ooit ontwikkeld door Unilever, dat in 2008 zocht naar een manier om boeren in zijn wereldwijde ketens te helpen hun klimaatimpact te verlagen. Ze klopten aan bij professor Pete Smith van de Universiteit van Aberdeen, de hoofdauteur van het IPCC-klimaatrapport uit 2007. Zijn opdracht: vertaal de wereldwijde kennis over klimaatmitigatie naar een rekentool, en zo werd de Cool Farm Tool geboren.
In 2020 gaf BO Akkerbouw opdracht voor het bouwen van de CFT-hub: een koppeling tussen het bedrijfsmanagementsysteem van de akkerbouwer en de Cool Farm Tool. Handig zou je zeggen, maar een rekentool is zo goed als de data die je erin stopt. En als de registratie matig is, komt er uit de CFT ook weinig zinnigs. Daarnaast blijkt die CFT maar voor een beperkt aantal gewassen geschikt en is een aantal Nederlandse gewassen niet in te vullen.
Een rekentool is zo goed als de data die je erin stopt
De CFT is dus vooral een tool voor ketenpartijen die wereldwijd opereren en overal dezelfde rekenmethode willen gebruiken. Maar de akkerbouwer boert in Nederland, met Nederlandse grond, Nederlandse regels en Europees klimaatbeleid. En als we CO₂-getallen willen gebruiken binnen beleid, dan is het denk ik toch beter dat we een eigen tool hebben met transparante rekenregels. Dat zou de Nutriëntenbalans Akkerbouw moeten zijn, ontwikkeld door WUR.
Medeschuldig aan Kringloopwijzer
Ik dacht wel: dit heb ik eerder meegemaakt in mijn carrière. Vijftien jaar geleden in de zuivel was er ook strijd tussen rekenmodellen van broeikasgassen. Uiteindelijk werd dat onze Kringloopwijzer. Ik zeg onze, want ik ben zelf 'medeschuldig' aan het ontstaan van die Kringloopwijzer. Die was en is bedoeld voor doelsturing: laat de boer zelf maatregelen kiezen en beoordeel het resultaat, zo gingen we van start.
Nu weet ik nog dat de zuivelketen stevig heeft geprobeerd de CO₂-berekeningen naar eigen hand te zetten. Maar als we serieus publiek-private toepassingen beogen met KPI’s, dan moet dit rekenmodel open en transparant ontwikkeld worden op basis van de laatste wetenschappelijke kennis. Daar moet bij iedereen 100 procent vertrouwen in zijn, niet alleen bij Campina.
Grote verschillen per bedrijf
Uit de WUR-benchmarks blijkt dat een gemiddeld akkerbouwbedrijf tussen de 2.000 en 3.000 kilogram CO₂-equivalenten per hectare uitstoot. Maar de spreiding is groot. Bedrijven met een zuinige bemesting en een positieve organische stof balans zitten rond de 1.500 kilogram. Terwijl intensieve bouwplannen met veel kunstmest en aardappelen kunnen oplopen tot 4.000 tot 5.000 CO₂-equivalenten per hectare. De verschillen komen vooral door stikstofkunstmest. Diesel speelt mee, maar is zelden de hoofdmoot.
En hoe zit het dan met die CO₂-vastlegging? In theorie kan de CO₂-uitstoot negatief zijn bij een perceel dat veel organische stof opbouwt. Zo levert een gezonde organische stof balans 0,2–1,5 ton CO₂-vastlegging per hectare per jaar. In de praktijk is de jaarlijkse vastlegging klein vergeleken met de emissies uit lachgas en kunstmestproductie. Daardoor komt de KPI bij Nederlandse akkerbouwers vrijwel nooit onder nul.
We volgen hier de IPCC-methodiek en zij hanteren vaste factoren per gewasrotatie, organische stof aanvoer en grondsoort. Die zijn bewust voorzichtig, om overclaimen te voorkomen. Lachgas domineert. Een klein beetje lachgas uit bodemprocessen maakt de CO₂-vastlegging direct ongedaan. Over energie opwekken en elektrische trekkers ga ik het later nog hebben bij KPI 6. Misschien is de kern van KPI 5: klimaatbeleid begint bij de bodem en beter vakmanschap, maar vertrouwen begint bij breed gedragen rekenregels.
Tekst: Frank Verhoeven
Beeld: Ellen Meinen



