Pachtnormen: hoe komen die eigenlijk tot stand?

De pachtnormen zijn gebaseerd op de resultaten van een groot aantal akkerbouw- en veehouderijbedrijven, verdeeld over verschillende gebieden in Nederland. Voor zover ik weet, zorgt het Landbouw Economisch Instituut (LEI) voor de bedrijfseconomische uitwerking van die resultaten.
De deelnemende bedrijven moeten representatief zijn voor hun gebied. In het verleden mocht je maar een beperkt aantal jaren ‘LEI-bedrijf’ zijn. Zo werd voorkomen dat ondernemers door het extra inzicht in hun cijfers hun bedrijfsvoering strategisch zouden aanpassen en daarmee het gemiddelde beïnvloeden.
Daar zit mijn eerste vraag. Er zijn inmiddels bedrijven die al heel lang aan deze systematiek deelnemen. Voor zover ik weet, wordt niet meer standaard na ongeveer vijf jaar een ander bedrijf gezocht. Wat betekent dat voor de representativiteit?
Wat telt wel en niet mee?
Ook over de verwerking van de cijfers heb ik vragen. Ik weet dat dit op onderdelen heel zorgvuldig gebeurt. Facturen voor gewasbescherming worden bijvoorbeeld uitgesplitst per gewas. Maar hoe worden grondlasten verdeeld bij bedrijven met een combinatie van eigendom, erfpacht, reguliere pacht en losse pacht?
En hoe zit het met bedrijven met een tweede tak, zoals loonwerk, pluimvee, vleesvee of windenergie? Wordt het resultaat daarvan volledig gescheiden van de hoofdtak?
In de praktijk lopen financiering en investeringen vaak door elkaar. Een goed renderende neventak kan bijvoorbeeld ruimte bieden voor een luxer machinepark. Mijn vraag is daarom: kan het resultaat van zo’n neventak uiteindelijk invloed hebben op de pachtnormen?
Ik weet het antwoord niet. Voor zover ik weet, is er eerder gevraagd om meer duidelijkheid over de manier waarop de cijfers binnen het LEI worden verwerkt. Die duidelijkheid is er naar mijn idee nooit volledig gekomen. Overigens twijfel ik er niet aan dat het LEI zijn werk goed doet. Het staat voor mij vast dat ze de cijfers verwerken volgens de regels die er zijn.
De praktijk loopt achter op de norm
Dat maakt de discussie juist relevant om duidelijkheid te krijgen. Het is logisch dat de pachtnormen de afgelopen jaren zijn gestegen. De prijzen van akkerbouwproducten en melk waren immers ook hoger.
Maar als ik nu een bedrijfsplan maak, zie ik tegelijkertijd hoe hard de kosten zijn gestegen. Ook liggen de prijzen van oogst 2025 en de huidige melkprijs duidelijk lager. Daarom verwacht ik dat de pachtnormen op termijn weer zullen moeten dalen.
Het lastige is alleen dat de pachtnormen gebaseerd zijn op resultaten uit het verleden. Daardoor duurt het een paar jaar voordat veranderingen in opbrengsten en kosten zichtbaar worden in de norm.
Geef ondernemers inzicht
Daarom mijn oproep aan het LEI en iedereen die invloed heeft op deze systematiek: geef meer inzicht in de opbouw van de cijfers.
Een grote groep agrarische ondernemers heeft met pacht, of de daaraan gekoppelde canon bij sommige erfpachtcontracten, te maken. Voor hen gaat het om serieuze bedragen en uiteindelijk om het rendement van hun bedrijf. Dan moet je ook kunnen beoordelen of de pachtprijs daadwerkelijk is gebaseerd op het rendement van de grondgebonden hoofdtak.
Meer openheid voorkomt de discussie over de hoogte van de pachtnormen niet. Maar dan voeren we die discussie in ieder geval op basis van dezelfde feiten. En dat lijkt me niet meer dan redelijk.
Erik Arts
Erik Arts is naast akkerbouwer in Luttelgeest ook bedrijfsspecialist bij Countus. Als bedrijfsspecialist spart hij graag met akkerbouwers, individueel en in groepen, om hun bedrijf te verbeteren. Daarnaast heeft hij veel kennis van afzetstrategieën en akkerbouwmarkten.





